donderdag 15 maart 2012

Dromendag


Mijn wildste dromen? Mezelf de keel oversnijden zonder bloed, met slechts een beetje pijn, en daarna de wonde laten hechten in een rariteitenkabinet. Een nieuw soort tatoeage zetten bij mijn broer nadat ik eerst de huid van zijn rug heb verwijderd. Een papegaai die letterlijk uit mijn hand eet en doorbijt zodra ik mijn hand wil wegtrekken: oefening in zelfbeheersing, heet dat dan. Een halsketting die ik met cuttermes aanbreng voor ik uitga met mijn maatjes. Een elleboogpiercing nadat ik mijn onderarm heb gestroopt en een prothese heb geplaatst mét piercing. Droomanalyse, iemand?

En verder ben ik nogal een gemakkelijke. Genre 'count your blessings' en 'be thankful for what you’ve got'. Het zou ook nogal pretentieus zijn anderszins, met een zorgeloze jeugd, een eigenzinnig lief, wijze vrienden, een fijn huis, een toffe job en een pracht van een dochter. Ik vraag me ook af of we wel de wildste dromen en meest ambitieuze verlangens hoeven te hebben. Is dat niet een beetje het mantra van de tijd? Hoe wilder, hoe beter, en je hebt het zelf in de hand? Meer willen van hetzelfde, in plaats van gelukkig zijn met wat je hebt?

Ik heb ooit eens gezegd tegen een prof die me suggereerde om te doctoreren, dat ik daar niet van droomde. En als uitleg gaf ik toen dat ik nergens van wou dromen om dan ook niet teleurgesteld te kunnen raken. Een soort zelfbescherming dus. Hij vond dat niet zo’n goede houding, wou liever brandende ambitie zien en zag die lacune waarschijnlijk als typisch vrouwelijk. Hij achtte de kans op succes waarschijnlijk groter als ik wel concrete doelen uitgestippeld zou hebben. En het zou ook best kunnen dat je vastberadener bent als je die ambities eens durft op te schrijven. Maar hoger is niet per definitie beter.

Ooit hoorde ik van een vrouw die een zogenaamde topfunctie had bereikt zonder een of ander hoog diploma. Elke keer was ze een stapje hoger geklommen, elke keer was ze als beste uit de bus gekomen. Maar de onzekerheid bleef. Bij elke stap hoger vroeg ze zich af wanneer ze nu eindelijk door de mand ging vallen, wanneer mensen gingen inzien dat ze niet geschikt was voor de job. Tot het beetje bij beetje tot haar doordrong dat het blijkbaar allemaal volstond. Dat ze alle nodige talenten in huis had en dat onbewust telkens weer bewees.

Ik ken best wel wat ambitieuze vrouwen, maar ken er ook veel die zich stilletjes kritische vragen stellen bij hoogdravende professionele aspiraties, dat als iets oneigenlijks beschouwen, zelf de rem aantrekken. Ik heb ooit op een communicatietraining gehoord dat mannen vaker durven te kiezen voor een job waar ze nog een maatje te klein voor zijn en kunnen in groeien, terwijl vrouwen een job kiezen die hen op het lijf geschreven is en waarvoor ze alle talenten al verworven hebben. En ik zeg niet dat ik het anders doe.

Ik denk dat er net wat meer vrouwen zijn dan mannen die zich door dergelijke afwegingen, door ideeën uit het verleden of door sociale druk laten remmen, door het gevoel dat ze niet genoeg kunnen geven, op het ene of het andere vlak. Maar net daarom is het zo belangrijk dat vooroordelen en angst niet de doorslag geven en de jobs aan mannen overlaten. Omdat onzekere mannen, of erger: incompetente mannen, zich net wel door het rolpatroon gestimuleerd weten. Al moet je natuurlijk eerst nagaan wat je zelf echt wil.

Misschien droomde ik daar ook gewoon niet van omdat ik realistisch was (maar hoe kon ik dat weten?) of dat niet als een ultiem doel kon zien (al weet ik nu dat zo'n absolute term niet nodig is). Bovendien heeft de praktijk, tot dusver althans, uitgewezen dat ik die dromen niet hoefde te hebben om ze opeens te verwezenlijken. Ik heb telkens op het moment zelf beslist dat ik het aan zou durven, ten minste zou proberen, omdat die wens er niet bij voorbaat was. Ik woog de onderdelen een voor een af, probeerde eerlijk te zijn maar ook niet te eerlijk (angst is een slechte raadgever), en begon eraan met het idee dat ik altijd nog kon stoppen (wat ik niet kon, dat is al bewezen).

Intuïtief, want meestal heb ik voor elke optie precies evenveel voor- en nadelen verzameld. Nog zo’n trekje van mijn interne saboteur. Uren opties afwegen en die nauwgezet in ellenlange lijstjes tegenover elkaar zetten, kortom: het proces zo rationeel mogelijk aanpakken, om dan uiteindelijk intuïtief te kiezen uit twee schijnbaar gelijkwaardige opties. Ik zie me nog staan voor de Boekentoren, net afgestudeerd, met de telefoon in mijn hand en mijn vader aan de lijn, een paar minuten voor ik bij mijn toekomstige promotor langs zou gaan. Wel, of niet, of wel, of niet? Welaan dan.

De doorslag gaf de herinnering aan een nachtelijke Aha-Erlebnis toen ik in mijn uppie in Newcastle op Erasmus was. Ik herinnerde mij de overweldigende voldoening toen ik voor het vak ‘The Gothic Novel’ een paper schreef over The Monk van Matthew Lewis, en ik na dagen zwoegen elke zin en elke alinea tot ongekende hoogtes opgetild zag. De gigantische voldoening die dat gaf, de woorden en metaforen die ik keer op keer opnieuw las en die mijn visie beter verwoordden dan ik ooit had durven hopen.

***

Op andere vlakken dan het professionele vlak heb ik evenmin nauwkeurig uitgestippelde dromen die ik wil verwezenlijken voor ik rustig oud kan worden. Dat wil niet zeggen dat ik niet graag eens drie maanden zou reizen, een boot zou willen kopen, een herenhuis in het centrum of boerderijtje op het platteland, maar het is niet zo’n doel waarbij de rest verbleekt. Daar hangt mijn geluk niet van af. Kinderen waren ook geen ultieme droom, omdat ik vooraf hoegenaamd niet kon inschatten hoe dat ooit zou voelen, wat dat zou veranderen, wie ik zelf zou worden. Voor ik de levenslange en oersterke band ontdekte die een kind me bracht, stonden pro en contra op gelijke hoogte. Gek, in retrospect.

Als ik dromen moet oplijsten, zijn het kleinere dromen, die niettemin onbereikbaar lijken, al is dat misschien voorbarig. Ontzettend goed kunnen dansen met mijn lief bijvoorbeeld. Tango, salsa of lindy-hop, ik zeg maar wat. Ik heb tien jaar geleden salsa geleerd van een Griekse aanbidder en vond dat zalig. Ik heb tango geleerd met een ex-lief, wat begrijpelijkerwijs voor vonken zorgde, en zou nu heel graag kunnen lindy-hoppen. Maar dansen is hoegenaamd geen fantasie van mijn huidig lief, dus daar loop ik niet op te hopen. Al verlang ik wel dat hij het gewoon eens wil proberen om er dan geheel door gebeten te zijn.

En een tweede kindje. Mijn denkbeeldige jeugddroom was vier kinderen of helemaal geen, alles of niets. Voluit voor je kinderen gaan, of voor jezelf kiezen, de wereld zien, op andere vlakken je nut bewijzen. De realiteit heeft die droom al een beetje bijgesteld. In mijn nieuwe utopie lopen al een paar jaar twee kindjes en een pleegkind rond. Zodra mijn eerstgeborene in mijn armen lag, kwam ook het verlangen om dat gevoel vast te houden, opnieuw te beleven, te vermenigvuldigen. En elk moment daarna, ook als het lastiger was, bleef dat gevoel aanwezig. Onderhuids. Knagend soms, neuriënd ook, iets wat zachtjes aan mijn arm trekt. Ik heb nog zoveel liefde over.

En ondertussen pas ik mijn dromen zo’n beetje aan de werkelijkheid aan. Ik maak plannen en begin daarvan te dromen. Als ik een huis verbouw, droom ik hoe het zal zijn als het af is. Toen ik een motor kocht, droomde ik ervan om door de bochten te zoeven. Soms worden die dromen abrupt verbroken, soms zet ik ze zelf in de koelkast, soms komen ze min of meer uit. En als de kans erin zit om een jaar naar Zuid-Afrika te gaan, zoals nu, begin ik daarvan te dromen. Het jaagt me een zekere angst aan, uiteraard, maar sommige dromen moet je proberen te vangen als ze voorbijdrijven.

1 opmerking: