maandag 12 maart 2012

Beautyqueen in het diepst van mijn gedachten

Bijna tien jaar geleden, na een feestje in het huis dat ik toen deelde met vrienden, lag ik net in bed met mijn toenmalig lief, toen ’s ochtends rond een uur of tien een van zijn beste vriendinnen, binnengelaten door mijn huisgenoten, er lekker gezellig bij kroop. En wat zei ze om mijn lichte verbazing om zoveel onverwachte intimiteit te smoren? ‘Amai, gij ziet er zelfs ’s ochtends kweet-nie-oe knap uit!’ Was dat even een boost voor mijn ochtendlijke zelfvertrouwen ...

Maar wat ze niet wist, of niet in rekening bracht, was het simpele feit dat ik me niet ontschminkt had voor ik in bed dook, dat mijn gezicht nog niet de kans had gekregen om uit de plooi te vallen na zoveel plezier, dat mijn eyeliner en mascara ook netjes waren blijven zitten waar ze thuishoorden. Dat ik dolverliefd was en daardoor straalde, wist ze, dat ik tien jaar jonger was, vertel ik er nu bij, dat het gewoon toeval was, kan natuurlijk ook. Of waren het mijn sociale sensoren die onbewust werken voor nieuw publiek?

Feit is natuurlijk dat ik er ’s ochtends, maar ook ’s avonds, ’s middags, ’s nachts, afhankelijk van veel factoren, in willekeurige volgorde moe, gestresseerd, bleek, seutig of saai kan uitzien. En daar doe ik over het algemeen niets aan. Mezelf en mijn haar wassen uiteraard wel, maar daar dacht ik in eerste instantie zelfs niet aan. Oorbellen, ketting, horloge en ringen behoren ook tot mijn standaarduitrusting. Maar het blijft bij louter hardware: potjes, flesjes en tubes laat ik dicht, tenzij er een staaltje dagcrème met UV-filter rondslingert.

Vroeger had ik van Clinique eens een goeie oogschaduwstick als staaltje gekregen en dat leek altijd wonderen te doen als ik 's avonds thuiskwam en er toch wat monterder wou uitzien. Maar om een of andere reden verkochten ze die ‘smudgesicle’, zo heet dat echt, alleen in Amerika of Antarctica, en de zin om een nieuwe te gaan scoren woog niet op tegen het levensgrote belang ervan. Andere potjes lijken mijn vel meer kwaad te doen dan goed.

Ook vroeger, tijdens mijn studentenjob in een Gents café, kwam ik na vijven niet buiten zonder zo’n fifties eyelinerlijntje en wat mascara. Ik was daar zeer bedreven in en werd alleen maar beter door dat dagelijks te doen. En als ik dat eens niet aanhad ‘s avonds, wezen mijn liefste homocollega’s daar meteen bij binnenkomst op.

Ik droeg ook bijna altijd nagellak. Ik heb sterke nagels en kon die ook haast feilloos lakken, wat ik een voldoende reden vond om dat ook halfwekelijks te doen. Ik had natuurlijk ook geen kind dat net zou dreigen te vallen als mijn nagels aan het drogen waren of een gigantische snottebel zou niezen. Wat had er mij in godsnaam kunnen tegenhouden?

Maar na die fase vond ik plots dat ik niet (zoals mijn moeder) enkel geschminkt de deur uit wou kunnen, dat ik niet wou schrikken als de bel zou gaan voor ik ‘toonbaar’ was, dat ik niet wou horen dat ik er moe uitzag, enkel en alleen omdat ik geen make-up droeg die dag. En dus is het nu al een hele tijd de ‘look naturel’ overdag.

En zelfs ’s avonds, als ik vind dat het allemaal nog best te pruimen valt, is het de laatste tijd vaak zonder versiersels, tenzij ik mijn wenkbrauwen een beetje prononceer, wat bruine mascara opstrijk, een streepje kohl in mijn ooghoeken toevoeg. Subtiliteiten, meer niet. Ik schrik zelfs als ik me voor de gein toch weer eens zo’n lijntje aanmeet.

Het gaat dus een beetje van weg en weer, van veel tijd of geen goesting en beslissingen van het moment. Ik vond trouwens heel lang dat ik er elke keer anders uitzag als ik in de spiegel keek, dat ik er hoegenaamd geen staat op kon maken hoe ik telkens voor de dag kwam (de foto geeft een idee). De spiegel was altijd schrikken, gelukkig zowel in goede als in slechte zin. Komt ook door mijn krullen, die liefst hun eigen zin doen, al heb ik na het einde van de borstvoeding geen bad hair days meer gehad -- althans niet in vooraanzicht.

Voor en na's, zomer- en winterlooks, builen, blutsen en bevallingen bij 33°, KWay's en smokey eyes, flits en schemering, maar meestal naturel.



Er zitten uitersten in mij, waar ik heel graag tussen schipper. Ik doe niets liever dan in de kleren van de vorige dag springen, zonder te checken of ze nog onbevlekt zijn of lekker ruiken. Ik hou van de gedragenheid, het losse, het vertrouwde, niet hoeven te kiezen. Ook vroeger, toen er nog overal gerookt werd, ook al ben ik zelf een niet-roker. Ik hou ervan om op weekend in dezelfde jeans te kruipen die al stijf staat van de modder, met een versleten T-shirt of oude gilet.

En tegelijk heb ik mij ook een kleuranalyse laten aanpraten, kan ik ervan genieten om de tijd te nemen om in het schoonste kleedje uit mijn kast te glijden, de gepaste botten uit te kiezen, ketting, ring, oorbellen aan te meten en te genieten van de blikken. Nooit bling-bling of wegwaaistofjes, meestal vintage of tweedehands of look-alikes genre WTG, Betty Page, King Louie, daarin telkens ook aangemoedigd door mijn oude en nieuwe lieven en hun complimenten, ik geef het toe.

Het heeft trouwens lang geduurd voor ik een eigen stijl had gevonden. Ik zat op een uniformschool, dus in de week was dat ten node doordeweeks gekleed gaan, op zaterdag ging ik naar de jeugdbeweging, dus dat was verplicht jeans met hemd, en enkel met de zondagskleren een garderobe opbouwen en miskopen vermijden was hoegenaamd niet simpel. Ik keek altijd stiekem op naar extravagant geklede passanten, maar het was sparen en wachten en maar af en toe iets kunnen kiezen dat uit de band sprong. Of dat soms ook gewoon in de kast te laten hangen omdat het te gewaagd bleek. Heel vreemd dat ik net daar geen foto’s meer van heb!

Mijn moeder wou altijd dat ik me wat vrouwelijker zou kleden toen ik aan het puberen was, want ik was jong en die glansrol zou voorbij zijn voor ik het wist. Maar het was nu eenmaal de tijd van stretch jeans, combats en wijde T-shirts. Rokjes waren voor seuten. En welke° schoenen droeg je daar in hemelsnaam onder? Ik was trouwens ook van mening dat ik met mijn brede schouders alleen lompe schoenen kon dragen om alles een beetje in evenwicht te houden. Het idee alleen al.

Pas na het adieu aan mijn uniform, de jeugdbeweging, de intrede op de unief, de bijverdienste en de lieven met hun complimenten en voorkeuren heb ik gaandeweg gevonden wat me stond, wat ik fijn vond, wat stoer was en toch vrouwelijk. En nu gaat de kooplust met fases: meestal vermijd ik angstvallig de winkelstraten en pashokjes en koop ik enkel in de solden zonder enige remming een hele voorraad aan. Daarna heb ik dan nog wéken zin om die verzameling uit te breiden, omdat de oude bekende kleren verbleken bij al dat nieuws. Dan bekruipt mij zelfs even de zin om als fashionista door het leven te gaan …

Maar zodra ik denk aan de bergen geld en tijd die daarin kruipen, de oppervlakkigheid van de strijd om ‘in’ te zijn, de standaardmaten die je daarvoor nodig hebt, de gigantische berg overbodige spullen die iedereen naar zijn hol sleept, het loon van de vrouwen die al die spullen maken, en de energie die ik liever voor belangrijke dingen voorbehoud, is die zin in een mum van tijd bedwongen en doe ik voort met de beproefde stuks.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten