donderdag 5 april 2012

Thelmataal (9): Namen noemen

Nog een mijlpaal: Thelma zegt haar eigen naam! Ze spreekt het uit als 'Pewma' of 'Pamma', maar ze wijst dus niet langer zwijgend naar zichzelf en zegt niet langer iets als 'ta?', wat ze ook tegen allerlei andere dingen zegt als ze de naam ervan vraagt. 't Is schoon Gents met een vette 'e' die naar een korte 'a' neigt en soms een 'w' meekrijgt zoals in het legendarische Gentse woord 'voebaw' voor voetbal.

De lange rij namen die ze al zei, wordt nu dus eindelijk aangevuld met haar eigen naam. Niet enkel meer Oewiesje (Louise), Tien (tante Lien), Wikke (Willeke) en Uusj (Luce), aangevuld met de onthaalmoeder Pasja (Patricia), haar dochter Iesj (Elise) en de andere kindjes Noor (Noor), Mon (Ramon), Nanna (Anna), Memi (Remi), Nano (Caetano), Pijn (Pepijn) en beebie (Emilie).

En toen ik vanmorgen zei dat ze al een groot meisje was omdat ze alleen zit op een Stokke zonder babybescherming, zei ze beslist: 'Nie meisje'. Bernard vroeg wat ze dan wel was, en ze zei overtuigd 'jonge'. Vanavond zei ze 'Nie meisje, titje', wat 'kindje' betekent. Blij dat ze mijn kindje is!

zondag 1 april 2012

Thelmataal (8): Pampen / mussen?

Wij hebben eigenlijk een ontzettend braaf kind. Twee voorbeeldjes om dat te bewijzen: als Thelma op het ververskussen ligt, weet ze dat ze niet in mijn buik mag stampen. Elke keer vraagt ze toch mooi: 'Pampen?', om na te gaan of het vandaag niet even mag.

Als ze aan tafel zit, weet ze dat ze haar beker of bord niet mag omdraaien, want dan morst ze en morsen mag niet, tenzij per ongeluk. En weer gaat ze elke keer de mogelijkheden van het moment af, en vraagt ze lief: 'Mussen? Mussen?'.

Ben benieuwd wat dat later gaat geven. Weglopen? Nee? Liegen? Toe? Stelen? Voor één keer? Binge drinken? Echt niet? Drugs? Even maar? Chantage? Om te spelen? En alles met een poeslief stemmetje natuurlijk.

maandag 26 maart 2012

Thelmataal (7): Die deken

Het slaapliedje dat ik als ultieme redding aangrijp als Thelma niet wil slapen, ook midden in de nacht, wanneer ik me voorneem om niet met haar op te staan, maar liever vijftien keer na elkaar hetzelfde zing, heeft zijn bezwerende kracht tijdelijk verloren. Het is een liedje van de plaat 'Vind je me aardig?', dat Ernie voor Bert zong toen hij niet kon slapen, en het begint als volgt:
Slaap nu zacht, lieve knul
't Is twaalf graden onder nuhul
En het gaat voort met de volgende zin:
Je deken is heel warm en zacht
waarop Thelma sinds vanavond begint te roepen: 'Die deken!', 'Die deken!', terwijl ze naar haar eigen dekentje wijst. En als ik dan mijn lach onderdruk en geheel toonvast voortzing:
't Schaap loopt buiten zonder vacht
roept Thelma, die sinds kort de lente, de tuin en het concept 'buiten' heeft ontdekt: 'buite, buite!'. Ik zing dan voor een dolenthousiast publiek nog de volgende zin:
Thelma ligt onder de wol
Waarop ze breed grijzend doet alsof het allemaal té grappig is dat zij in een liedje voorkomt, om dan af te sluiten met:
En dat houdt ze wel tien uur vol
O zo heerlijk onder de wol
En dat houdt ze wel tien uur vol
waaraan ze toevoegt: 'ook-e-beer, nijntje, koekje, koe, eend, aapje', en ik weer van voren af aan kan beginnen, omdat ze klaarwakker ligt te hupsen in haar bed. Al kan het ook door het zomeruur komen.

zondag 25 maart 2012

Ticket bis

Ik begin me lichtjes te schamen over al mijn paniekerige ramificaties over Thelma's schoolkeuze ... Niet alleen stonden we bij Victor Carpentier op plaats 7 van de 30 beschikbare plaatsen, we staan nu ook op plaats 11 van de 18 plaatsen bij freinetschool De Loods ... Weg stress om de 115 kandidaten voor 79 plaatsen in de buurt, enter keuzestress! Zoals we destijds het laatste lotje bij een fantastische onthaalmoeder in de buurt hebben verzilverd, hebben we nu ook twee tickets versierd voor onze eerstekeuzescholen in de categorie mét en de categorie zonder voorrang voor niet-GOK'ers.

Al mijn zorgen waren dus om niets, alleen de keuzestress blijft, al hebben we zo ongeveer wel beslist wat we gaan doen. Zo ongeveer, want ik blijf het echt bijzonder sneu vinden voor een fantastische directrice, een supergemotiveerd schoolteam en een enthousiaste groep ouders, die wellicht heel wat kindjes, maximum 7 om precies te zijn, met een ticket voor De Loods gaan zien vertrekken. Ik ben dus niet euforisch, al besef ik dat ik in een luxepositie zit om te mogen kiezen. Ik ben ervan overtuigd dat Victor Carpentier een hele warme school is met een mooi project, maar we gaan wellicht toch voor onze oorspronkelijke eerste keuze, een school waarvan ik nooit had durven denken dat we er ooit een plekje zouden krijgen in deze barre prescolaire tijden.

Het voelt echt aan alsof ik me moet verantwoorden. Ik supporter meestal voor de underdog, in dit geval de Carpentierploeg, die met al hun moeite maar weinig kansrijke kindjes weten aan te trekken. Allereerst natuurlijk omdat er al bij al weinig kansrijken in onze buurt wonen. De verhouding op de Muide is 30% kansrijk en 70% kansarm, al zegt die term niet veel over kinderen die a) geen Nederlands spreken thuis (was ook zo bij heel wat Franstalige leerlingen in mijn oude school), b) tot een reizende bevolking behoren (Roma, maar ook schippers), c) in een pleeggezin of instelling worden opgevoed (ik wil ook een pleegkind), of van wie d) de moeder geen middelbaar diploma heeft (zegt nog niets over haar capaciteiten) of e) de ouders een vervangingsinkomen krijgen.

Ten tweede wordt het positieve elan van Victor Carpentier dit jaar stokken in de wielen gestoken doordat De Loods een extra klas van 12 kinderen moest organiseren. Normaal gezien had De Loods maar 12 plaatsen waarvan er al 6 door broertjes en zusjes waren ingenomen, en konden wij met plaats 11 van de 18 dus fluiten naar ons ticket. Volgend jaar moet elke school in Gent wellicht de verhouding van de buurt (30/70) of de stad (50/50) respecteren en wordt het tweesporensysteem afgeschaft. We hebben dus zo'n kaartje in handen waarvoor mensen zouden vechten. En de mimetische begeerte werkt aldus, dat zo'n ticket meteen veel begeerlijker wordt ...

Maar uiteraard is het dat niet alleen. Ik was sowieso al lang te vinden voor freinetonderwijs, niet alleen om de principes maar ook een beetje uit ervaring. Mijn petekindje heeft haar hele schoolloopbaan in De Harp en De Wingerd afgelegd en heeft zich daar altijd ontzettend goed gevoeld. Ik kreeg al in het eerste leerjaar handgeschreven briefjes van aan zee waarin ze zo ontroerend en eigenzinnig schreef dat ze me miste. En ze is nu in mijn voetsporen getreden door Engelse en Nederlandse taal- en letterkunde te studeren en doet dat schitterend. Carpentier heeft het ons alleen erg moeilijk gemaakt door ons ervan te overtuigen dat het onderwijs daar even ervaringsgericht, gediversifieerd en vooral heel plezant is.

Er zitten kleuters in De Loods die vóór of samen met Thelma bij dezelfde onthaalmoeder zijn geweest, er zitten kinderen uit de straat en die lijken heel tevreden. We zouden zot zijn om niet voor De Loods te kiezen volgens onze buren. En Thelma's huidige vriendjes, Ramon en Noor, zijn wellicht ook van plan om naar De Loods te gaan. Waardoor we in één klap niemand meer kennen in Carpentier met wie Thelma zou starten, noch hun ouders. Uiteraard leer je meteen nieuwe ouders kennen, en Thelma nieuwe vriendjes, maar het School-In-Zichtproject wou net groepen ouders samen de stap laten nemen, en ik ben zelf te veel aan het twijfelen om de anderen te kunnen meeslepen.

De Loods is trouwens ook een buurtschool uit het School-In-Zichtproject. Aangezien we op plaats 11 staan, wil dat zeggen dat de 10 kindjes vóór ons op minder dan 500 meter van de school wonen en dus echte buurtkindjes zijn. Met Carpentier, dat een eind verder ligt, is dat meteen al helemaal anders. En De Loods is ook geen witte eliteschool. Er zitten 45% GOK-kindjes en 55% niet-GOK-kindjes, al is het niet voorspelbaar wat dit inschrijfjaar gaat geven, aangezien ze geen voorrangsbeleid mochten voeren omdat de percentages de verhouding 60/40 nog niet overschrijden. Het is een kleinere school, dat wel, maar dat lijkt dan weer heel sterk op mijn oude school, waar ik alle kinderen bij naam en toenaam kende en dat heel fijn vond.

De weg naar De Loods is overigens een stuk korter, maar daarom niet veiliger, wat weer in het voordeel van Carpentier pleit. Er zijn op weg naar De Loods drie oversteekplaatsen waar je heel erg uit je doppen moet kijken met de fiets, al zou het kunnen dat we een verkeersluwe omweg gaan maken als Thelma eenmaal zelf begint te fietsen. Te voet naar school kan overigens ook, wat bij Carpentier dan weer uitgesloten is. Tien minuten met de fiets is meteen al een heel eind wandelen, en naar De Loods is het maar 500 meter stappen.

Ik hou het er dus op dat de twee scholen erg aan elkaar gewaagd zijn wat positieve argumenten betreft, maar dat de hierboven opgesomde bedenkingen de doorslag geven. Ik laat me dus niet leiden door onze eigen eerste indrukken tijdens het schoolbezoek, maar meer door de positieve commentaren over beide scholen en de afwegingen over freinetonderwijs, de vriendjes en de afstand. Ik heb me laten vertellen dat het lerarenkorps in De Loods ook heel gemotiveerd is en dat ik me over de sfeer daar helemaal geen zorgen hoef te maken. Maar ik ga morgen toch nog eens een paar mensen bellen of schrijven om helemaal zeker te zijn, en ik weet niet wat ik ga doen als er toch een groep ouders in Carpentier blijft.

Ik vind het heel sneu voor de oudergroep bij Carpentier die ontzettend hun best doet om de school op de kaart te zetten, maar ik vermoed dat zij in mijn plaats hetzelfde zouden hebben gedaan. Bovendien gaan wij niet in ons eentje een gezonde mix creëren, net zoals ik ook niet in mijn eentje het percentage vrouwen in de academische wereld significant omhoog ga krijgen. Alle beetjes helpen, dat is waar, anders zou ik bijvoorbeeld ook niet meedoen aan Dagen Zonder Vlees, en een betere wereld begint bij jezelf, een reden waarom ik wasbare luiers gebruik, maar je moet ook altijd nagaan wat je daarnaast zelf eigenlijk wil. Moeilijk, heel moeilijk, zeker als de twee opties door verschillende aspecten aan elkaar gewaagd lijken. Sjongejonge.

woensdag 21 maart 2012

Moeder-dochter

't Is toch wel even afkicken van Wijvenweek: ik heb de neiging om over alles uit mijn leven een postje te schrijven of links te delen en daar mijn zegje over te doen. Ik moet weer een beetje de juiste verhouding opzoeken, want het blijft toch Thelma's blog, al gaat er waarschijnlijk hoe langer hoe meer Lott insluipen als Thelma ouder wordt.

Bovendien zou ik veel te veel tijd stoppen in al mijn postjes over mijzelf die bovenop het wekelijkse Thelmapostje komen. Mijn lichte perfectionisme dwingt mij ertoe om zo genuanceerd en volledig mogelijk mijn mening te verwoorden of een toestand te beschrijven, en ik zou die eigenschap beter voorbehouden voor mijn werk of vrienden op café. Die kunnen dat namelijk ook goed gebruiken. En de blog kan best wat kortere berichten gebruiken, denk ik zo ondertussen ...

De Wijvenweek gaf natuurlijk ook een vertekend beeld door de zes postjes op zes dagen, waarmee ik de week voordien toch ook wel een poosje zoet ben geweest. Bovendien schrijf je tijdens zo'n week meteen voor een veel ruimer publiek, dat je in één beweging toch wel een uitnodigend en getrouw beeld wil geven van jezelf. Over een opgelegd onderwerp dan nog, waar nog tweehonderd andere vrouwen ook hun zegje over doen.

Ik vond het wel fijn om aan mee te doen. Heb een paar amusante nieuwe blogs ontdekt, gelijkgestemde zielen, mannen die toch niet zo heel veel van sommige vrouwen verschillen. Heb best wat geleerd over dé Vrouw, die uiteraard net zo min bestaat als Sinterklaas of de Kerstman. En ik heb toch ook wel wat over mezelf bijgeleerd, omdat het toch nog altijd anders is om jezelf eens voor een publiek uit de doeken te doen, in plaats van voor je eigen ik.

Maar nu dus afkicken. Vorige week is de gedachte als een bom gevallen dat Thelma binnenkort twee jaar wordt. Haar eerste verjaardagsfeestje lijkt nog zo dichtbij, ze is ook net anderhalf, wat eigenlijk nog één is. Allez, ze is twintig maanden en twee weken, maar tel daar een paar maanden bij en ze wordt vierentwintig maanden. Wat tot nader order nog altijd twee jaar is. Ongelofeloos. Als elk jaar zo snel gaat, is ze overmorgen twintig.

Ik weet natuurlijk wel dat iedereen altijd zegt dat de tijd vliegt, maar zo snel, dat kan ik amper geloven. Ik dacht dat een jaar-met-kind toch ongeveer even lang zou duren als een jaar-zonder-kind, maar dat klopt dus hoegenaamd niet. Is het omdat de weken toch wat meer op elkaar lijken? Is het omdat ze zoveel aanbrengt en zo snel evolueert dat je bijna geen tijd hebt om stil te staan? Gosh.

***

En omdat ik het toch niet kan laten: nog iets over mezelf. Ik doe voor de tweede keer mee met Dagen Zonder Vlees en dit jaar is het echt een eitje. Vorig jaar deed ik het samen met mijn lief en heb ik de gewoonte overgehouden om geen vlees meer tussen de boterham of op een belegd broodje te dulden en op restaurant zoveel mogelijk vegetarisch te eten.

Dit jaar wou Bernard niet meedoen en was mijn uitdaging dus om te kijken of dat lukt: koken voor twee zonder voor elk stuk vlees simpelweg een groenteburger te bakken. Een keer per week kan dat wel, maar dan heb ik er genoeg van en wil ik vegetarische ovenschotels, stoofpotjes en wokgerechten zonder dat trio vlees-aardappelen-groenten waarvan ik alleen het vlees niet eet.

Volledig gescheiden potten op tafel toveren, lijkt me niet zo tijdsefficiënt. Vorig jaar was het daarom vooral ik die kookte tijdens die veertig dagen omdat ik ooit een reeks Vegetarisch Koken heb gevolgd. Op Dagen Mét Vlees is het vooral Bernard die in de potten roert, en het leek me nu ook niet erg aangewezen om die gewoonte helemaal om te gooien. Ik had me vorig jaar voorgenomen om iets vaker te koken, uitsluitend vegetarisch, maar van dat voornemen is dus niet veel in huis gekomen.

Maar dit jaar lukt het experiment Vleeseter-annex-Vegetariër dus bijzonder goed. Omdat Bernard al eens een Libanese kikkererwten-korianderschotel klaarmaakt om mij plezier te doen, omdat ik gewoon feta, panir, loempia's, nuggets, hempburgers, gevulde pasta en af en toe eens een groenteburgertje in de frigo heb zitten, en omdat Bernard soms toch ook toevallig heel veel zin heeft in die ene vegetarische schotel die ik net wou gaan klaarmaken.

We hebben trouwens ook via lilith het seitangehakt van De Hobbit ontdekt en dat is bijna zeker een blijver in de 'spaghetti à la Bernard' of de best heerlijke 'spruitjespasta van Kerygma'. Alleen de nepvleesjes van Lien heb ik nog niet geprobeerd, omdat ik simpelweg niet weet in welke winkel ze dat verkopen. Online bij Veggie Deluxe, maar niet in Delhaize, Bio-shop, Ayuno of Origino dacht ik.

Het voordeel van die zogenaamde 'vleesvervangers' is bovendien dat je ze een hele tijd kunt bewaren, en dat je dus altijd eten in huis hebt als je bijvoorbeeld ook een groentepakket hebt. Heel handig dat we niet de laatst openblijvende slager, het frietkot of de creativiteit moeten opzoeken op zo'n zondag waar we te lang op een terras of bij vrienden zijn blijven plakken.

En het combineert ook allemaal goed: meestal hebben we wat over van de dag voordien en dan trekken we gewoon een pakketje open met iets anders, serveren we daar een nieuwe groente bij en klaar is kees. Bernard weet nu ook dat hij bij plots opkomende vleesdrang enkel voor zichzelf een stuk moet meebrengen en dat ik mijn plan wel trek.

Ik heb me nu dus eindelijk in eer en geweten kunnen voornemen om vegetariër te blijven en enkel nog bij andere mensen thuis het vlees te eten dat de pot schaft. Ik wou dat trouwens al heel lang, maar iets hield me tegen. Te weinig routine en te veel gemakzucht met een keukenprins die geen vegetariër wil worden en van de Franse keuken houdt. En een verleden als boerenkleindochter van wie de ouders altijd een zelfgeslacht varken of schaap in de diepvries hadden zitten, en van wie de grootouders hun dieren met behoorlijk wat liefde opkweekten.

Maar de Dagen Zonder Vlees laten me zien dat het eigenlijk simpel is om te combineren. Als Bernard nog ergens een gecertificeerde biobiefstuk ziet die hij niet kan laten liggen, een zelfgeslachte uiterst goed gesoigneerde kip, of een zelfgevangen kabeljauw, wijting of schartong, dan maak ik nog eens een uitzondering, maar niet voor het industriële vlees waar om de zoveel tijd een schandaal over losbarst en dat het hele regenwoud in sojabonen doet veranderen.

zaterdag 17 maart 2012

Het multitaskende superwijf


Ja, lappes, stoefdag. Stoefen over iets waar ik echt trots op ben met als titel 'Het multitaskende superwijf'. De enige post die niet min of meer klaarstond vorige zondag. Omdat ik eigenlijk niet goed kan multitasken en dus niet wist wat ik zou schrijven. En omdat ik meestal alles ná elkaar doe in de juiste volgorde en dus begonnen was met dag 1 te schrijven, daarna dag 2, dag 3, enzovoort. En dag 6 bleef staan. Ach ja, dan zou het toch weekend zijn, en kon ik zelfs de zondag nog gebruiken.

Ik neem deadline per deadline, ook als er ontzettend veel tijd voor de eerste deadline zit en maar wat luttele ogenblikken voor de tweede. We’ll cross that bridge when we come to it. Ik weet dat ondertussen en probeer af en toe eens van die arbitraire volgorde af te wijken. Ik weet dat ik tijdsdruk nodig heb en probeer daarom bepaalde taken voor te trekken. Maar meestal is het hoge nood en een geforceerd realiteitsbesef die me daartoe moeten aanzetten.

Ook opruimen doe ik het liefst in volgorde. Ik begin bij mijn bureau, dan de salontafel, de speelhoek, het vintage barmeubelke dat een soort magnetische kracht heeft voor brol allerhande, dan de tafel, de keuken, de afwasmachine en de was. First things first. Het geeft mijn warrige geest wat structuur, want ik heb soms ook wel eens last van het verder geniale eekhoorntjessyndroom.

Ik durf op mijn opruimroute wel eens een object uit een andere tijdzone mee te nemen, voor de gein, maar ik keer telkens terug naar het begin. En er blijft ook veel liggen onderweg. Ik heb geleerd om me niet meer druk te maken over dingen die niet op hun rechtmatige plaats liggen en de slinger is misschien zelfs een ietsiepietsie beetje te veel in de andere richting doorgeslagen ...

Vroeger verzon ik dat mijn Rice Krispies het fijn vonden om opgegeten te worden (meer nog: het was volgens mij hun ultieme lotsbestemming) om mijn wrede eetlust en meedogenloze kaakbeenderen te vergoelijken en het bijhorende medelijden met hun dood wat draaglijker te maken. Net zo heb ik mezelf aangeleerd dat een beetje rommel thuishoort in een huishouden waar geleefd wordt, dat dingen ook graag eens op een andere plaats liggen, dat relatieve chaos ook rust kan brengen. De maakbare mens en zelfmanagement, ik heb daar wel wat last van, zoals u ziet.

Het hoogste wat ik op het vlak van multitasken bereik, is tv luisteren terwijl ik blog, haken terwijl ik tv kijk, de Humo lezen of strijken terwijl ik naar de radio luister, nadenken op de fiets, eten met mes en vork. Toen ik vroeger al eens wou studeren voor tv zei mijn vader dat ik beter een halfuur kon studeren en daarnaast een halfuur voluit pulp kon slikken dan een vol uur alles maar half te doen. Sad but true.

Want dan kwam ik nooit aan tv kijken of andere frivoliteiten toe, omdat ik geen tijdsbesef had, nooit klaar was en bleef studeren tot de tijd echt op was. De enige mogelijkheid om toch wat vrije tijd te scoren, was vóór ik aan mijn werk begon, en dat stramien zit er nog altijd in. Meteen een heel plausibele verklaring voor mijn procrastinatiedrang – al had ik er tot vandaag nog niet op die manier naar gekeken. Leve Wijvenweek.

Maar … ondanks mijn verstrooidheid, mijn ontbrekend gen voor synchroon tasken, mijn gebrekkig tijdsbesef, mijn interne saboteur en mijn geliefd uitstelgedrag, heb ik toch maar mooi op drie en een half jaar een doctoraat geschreven, dat achteraf met twee prijzen is bekroond en genomineerd was voor een derde. Stoefen mocht, niet?

Ik kan dat alleen maar verklaren door een mix van perfectionisme, masochisme, schrijfdrang, en veel professionele en emotionele steun. Ik ben dus trots op het resultaat van dat alles: mijn doorzettingsvermogen en het boek dat er ligt. Ondanks moeilijkheden toch blijven doorgaan, soms tegen het subjectieve weten in. Ik besef dat ik hierdoor meedraai in onze neoliberale meritocratie ('alles hangt af van eigen inspanning en talent'), maar ik ben natuurlijk een kind van mijn tijd en begin dat nu pas te doorgronden.

In dezelfde trant vind ik het al bij al ontzettend straf dat ik zes weken nadat ik mijn toenmalig huis, lief en werk verloren had -- omdat mijn lief mij 36 uur nadat mijn doctoraat af was, heeft ingeruild voor een betere partij (hoe neoliberaal) en mij uit ons zelfverbouwde huis heeft gezet--, stond te schitteren voor een vijfkoppige jury met een stralende glimlach en een gezonde dosis zelfvertrouwen.

Pas op, ik ben de dag ervoor duizend doden gestorven door de stress, de emotionele en mentale ellende, de schrik dat ik er niets van ging bakken. En pas nog maar wat beter op, ik heb daarna nog geregeld een zware bons gehad vóór het trauma beetje bij beetje uit mijn lijf was. Maar de dag zelf stond ik daar in volle glorie. Ik hoefde aanvankelijk die doctorstitel niet meer, omdat ik er zoveel bij verloren had, maar toen ik ‘m eenmaal had, was ik toch blij. En het heeft me ondertussen al veel moois opgeleverd.

En in een heel ander register: ik ben ook ontzettend trots op mijn bevalling, als je daar al trots op kan zijn. Ik had zo’n schrik vooraf. Niet voor de pijn, want ik heb zowel mentaal als fysiek een hoge pijngrens, maar wel voor de overweldigende emoties die mij gingen verlammen, zo dacht ik toch. Ik kon geen boek vastnemen over bevallingen, geen foto zien van een zwangere vrouw of daar was die krop in de keel. Het leek me te herinneren aan een vorig leven, een groot meer van verdriet ergens diep in mij, maar uiteindelijk was ik tijdens de weeën zo rustig en zelfzeker dat ik alle pijn zonder veel moeite kon opvangen.

Ik was vooraf ook naar het Geboortehuis gegaan voor een reeks lessen over bevallen, grotendeels gebaseerd op Veilig bevallen van Beatrijs Smulders. Gouden lessen waren dat, omdat je zo goed voorbereid wordt op wat er komt. Weten dat fel licht, koude en adrenaline het bevallingshormoon en de natuurlijke endorfines tegenhouden bijvoorbeeld, en dat je dus moet zorgen voor gedempt licht, zachte muziek, warme sokken en een rustige omgeving. Een vriendin die al bevallen was, had me ook aangeraden om niet te focussen op het abstracte begrip ‘bevalling’, maar wel op de ‘geboorte van mijn kind’.

Ik leerde ook dat sommige lieven de kamer uitgebliksemd worden door hun eega, maar dat anderen de moeder in spe voortreffelijk kunnen helpen door tijdens elke wee in de onderrug te duwen, wat mijn lief uitstekend heeft gedaan. Hij heeft er zelfs een lumbago aan over gehouden, ook omdat de vroedvrouw hem tijdens de eigenlijke bevalling had opgedragen om me bij elke wee mee naar voren te duwen, wat hij deed vanop een schamel krukje aan mijn zijde in plaats van achter mij te komen zitten.

Ik was natuurlijk ook acht dagen over tijd en heb me in alle rust kunnen voorbereiden. Ik heb me geen moment opgejaagd of verveeld, maar heb genoten van die laatste dagen met z’n tweeën. Parkkaffee, terrasjes, tuinfeesten, de absolute heerlijkheid, al ging het allemaal wat trager. Alles stond klaar, tot reuzenonderbroeken, warme sokken en energydrinks toe, al heb ik dat achteraf allemaal ongebruikt weer mee naar huis genomen. En ik ben 's nachts bevallen, mijn geliefde tijdspanne.

Het werd een droombevalling. Ik kreeg bevestigd dat een wee maximum 60 seconden duurt, ik had tijd genoeg tussendoor om geheel zonder pijn een slok thee te drinken en op adem te komen, ik wist dat mijn kindje met elke wee wat dichterbij kwam, en dat ze ook de endorfines kreeg die ik aanmaakte. Een vroedvrouw thuis was er als stille getuige, en ik kon uiteindelijk met 8 cm naar het ziekenhuis gereden worden om een uur later mijn kleintje in mijn armen te houden.

Alles bij elkaar gezien vind ik mezelf dus best wel een goede partij. Goed kunnen doordenken, goed kunnen verwoorden wat ik denk, goed kunnen voelen, dat gevoel zo goed mogelijk proberen te doorgronden, goed kunnen meevoelen, me inleven in een ander, mij empathie in daden kunnen omzetten, goed kunnen anticiperen, en vooral: op tijd en stond alles ook kunnen vergeten en mezelf verliezen in de roes van het leven.

vrijdag 16 maart 2012

Zelfcensuur


Ik blog normaal niet over mezelf, maar over Thelma en alles wat van dicht en ver met haar te maken heeft. Voornamelijk omdat haar lieve meter zo ver weg woont, en in dezelfde beweging ook voor vrienden in het buitenland. Aanvankelijk kwam daar nog de hoop bij om ook haar bomma en bompa, die we minder vaak zien, kleine maar rake verhalen mee te geven, maar die hoop is ijdel gebleken.

Na anderhalf jaar blijkt dat ‘Het leven van Olijfje’ bomma en bompa niet bereikt, maar dat Olijfje wel andere familieleden, vrienden en collega’s tot haar trouwe lezers mag rekenen. En ook voor Thelma moet het natuurlijk geweldig zijn om later een verhaaltje te lezen over elke week van haar leven, over haar taalontwikkeling, haar schattigheid, onze liefde voor haar. En over haar moeder, tijdens Wijvenweek.

Over mezelf schrijf ik al jaren. Over mijn relatie en over mijn lief, en over mezelf in die relatie. Maar dat is alleen voor mijn ogen bestemd. Af en toe geef ik een licht gekuiste versie als brief af aan mijn lief, om hem in mijn hoofd te laten gluren of naar zichzelf te laten kijken. Om vast te houden wat we in gesprekken delen en wat zo vlug vervliegt.

Omdat gewikte en gewogen woorden vaak zoveel zachter zijn. Al slaat het me soms ook met verstomming, die betekenissen en bekentenissen die soms pas weken later hun volle gewicht krijgen. De waarheid die tussen de regels verscholen zit en pas in retrospect haar ware gelaat laat zien.

Behalve een Boek Bernard, heb ik een Boek Bruno, een Boek Klaas en een Boek Jo, dat later mijn eigen naam kreeg omdat er van Jo al gauw geen sprake meer was. De boeken gaan over mijn twijfels, mijn verlangens, de nasleep van een liefde of de storm van een verliefdheid. Ik heb ze recent niet meer herlezen, maar weet dat ze er zijn. Getuigen van wie ik was en wie ik werd. Op de sofa bij mezelf, psychoanalyse zonder kluiten. Rationeel proberen te vatten wat emotioneel aan jezelf ontsnapt.

De zelfcensuur heb ik de voorbije dagen al behoorlijk achterwege gelaten, maar het blijft natuurlijk een publiek persona, de vrouw die ik aan jullie openbaar. De af- en aanwezige Beauty Queen in mij, een relaas van lichte storingen en depressies, mijn visie op vrouwenzaken/zakenvrouwen, mijn allerliefste dromen ...

De uitnodiging vandaag om iets te schrijven over wat mij frustreerde deze week leek mij aanvankelijk moeilijk te worden. Ik ben masochistisch-optimistisch, dus veel probeer ik toch weer van de goede kant te zien. Ik blijf hopen en doorzetten tot ik mezelf erbij verlies. En zelfs dat maar voor heel even, als het even kan. Maar de ergernis of tristesse is er op tijd en stond wel natuurlijk.

Ergernis en tristesse omdat mijn lief ontslagen is na vijf jaar hard werken. Omdat hij enkele fouten had gemaakt die hij heeft toegegeven, maar waarvoor hij terecht niet de volle verantwoordelijkheid heeft willen nemen. Ergernis omdat de muzikanten hem omschreven als plichtbewust, attent, behulpzaam en heel professioneel. En hoezeer ze hem gaan missen. Ergernis omdat hij geen afscheid krijgt, maar simpelweg aan de deur is gezet, net zoals de zovelen anderen die hem voor zijn gegaan.

Ergernis en tristesse om de gepubliceerde foto’s van de omgekomen kinderen bijvoorbeeld. Anderen verwoorden wat ik ook voel. Hoe vreselijk het moet zijn om de allerlaatste herinneringen aan je kind schaamteloos van een blog geplukt te zien. Hoe onrechtvaardig en wraakroepend het moet zijn dat net die laatste foto van je kind zonder jouw toestemming te grabbel wordt gegooid voor een publiek van honderdduizenden lezers. Dat suckte en dat frustreerde mij.

En nog iets. Een kortstondig misantropisch baalmoment gisteravond dat in het niets verdwijnt bij de busramp, maar er uiteindelijk toch meer mee te maken had dan ik dacht. Ouders die niet weten met welke schatten ze morsen, ouders die hun kind als een last of concurrent beschouwen ...

Rond half zes vertrok ik naar mijn ouders, waar Thelma op donderdag met nichtje Louise gaat spelen. Ik had overdag bijlange niet kunnen doen wat ik wou, kon mijzelf zo’n beetje voor de kop schieten, en kon me niet afreageren op de fiets, want mijn lief had me ’s ochtends bij het werk afgezet. Met de tram en bus dan maar naar het ouderlijke huis.

Normaal heb ik geen last van een lichte aversie voor het openbaar vervoer, heb ik literatuur of muziek mee om mij te behoeden voor misantropie, maar nu was het al een tijd geleden, waren de gebruikelijke verbindingen van tram 4 en bus 6 onderbroken, was een halte van tram 1 geschrapt waar ik nog niet van wist, en was ik aan het afwegen of ik te voet zou voortgaan of zou wachten, tot mijn hoge botten beslisten om toch de tram op te springen. De tol van het vrouw-zijn?

Een overvolle tram, waar ik met mijn zware rugzak nog maar net bij kon, maar waar na mij nog vijf meisjes instapten. Drummen dus, terwijl het buiten 20°C was. Instant spijt van mijn beslissing. Te meer omdat de tram in een slakkentempo vooruitkroop in de Nederkouter en zeker een kwartier heeft stilgestaan aan de Ketelvest. Gewoon stil, roerloos, in de file blijkbaar, terwijl ik tal van voetgangers al voor een tweede keer zag passeren met topjes, rokjes maar ook pijnlijk knellende zomerschoenen waar het wintervel nog niet klaar voor was.

Op de tram zat een ziedende roddeltante die verbeten medestanders zocht voor haar visie, en een West-Vlaamse anarchist die overliep van eigenliefde en met luide stem op het hele gebeuren in de tram commentaar gaf. Ik ga het hier niet helemaal uittikken, maar het was gênant, oninteressant, aanstellerig, irrelevant. Het waren dingen die ik allemaal niet hoefde te weten en ondertussen bleef de tram stilstaan en kroop de tijd vooruit.

De bus die ik daarna moest nemen, maakte al wat goed. Onmiddellijk aansluiting, plaats om te zitten, een stevig tempo, maar helaas ook een paar keer bruusk gerem, claxongetoeter, geroep, frustraties. Ik haat frustraties in het verkeer. En dan schuin tegenover mij een moeder met een allerschattigst zoontje van een jaar of acht, dat haar van alles vertelde waar ze ternauwernood op reageerde.

Ik begrijp dat niet. Echt niet. Moeders die geen acht op hun kinderen slaan. Moeders die de verhalen van hun kinderen beantwoorden met stilzwijgen. Die zelfs niet zeggen: ‘Ja, zoetje, ik weet het, allemaal heel interessant wat je wil worden, maar vertel het me later nog eens opnieuw, want ik heb een drukke dag gehad’. Moeders die daarentegen antwoorden met een zucht of een loodzware stilte. Wat voor signaal geef je dan?

Ik kan begrijpen dat het niet ontzettend tof is dat je zoontje zegt dat je wat vroeger moet gaan slapen, omdat je van die dingetjes onder je ogen hebt, maar wegkijken is toch gewoon geen optie? Zo’n lief manneke. En ze had geeneens wallen. Ze leek zelfs een mooie glimlach te hebben. Ze had misschien zorgen in haar hoofd, trauma’s of stil verdriet, maar je hebt als ouder toch de toekomst van je kind in handen. Misschien was het maar voor even, een kleine black-out, maar mij leek het een beproefd patroon. En je ziet het zo vaak.

Ik heb geen kind dat mij de oren van het hoofd zaagt en ik zal dat ook nooit hebben. Ik sta mezelf niet toe om de woorden van mijn kind ooit als gezaag te beschouwen. En ik kan het mij evenmin voorstellen dat er kinderen zijn die oeverloos zeuren als ze op tijd en stond wat echte aandacht krijgen of duidelijke grenzen worden gesteld. Het is zo ontzettend sneu als zoveel enthousiasme in de kiem al wordt gesmoord.

Ik heb zelf een ukkie dat tot mijn grote verbazing en eindeloos plezier zinnen brouwt, terwijl ze eigenlijk nog maar zes woorden hoeft te kennen. Ze is twintig maanden en zei gisteren: ‘Ook-e(en)-keer-(z)waaien-t(r)ein-(L)ouisje?’ Je moest eens weten hoe ontzettend blij ik was om de bus af te stappen, op naar mijn kind en haar grote verhalen.

donderdag 15 maart 2012

Dromendag


Mijn wildste dromen? Mezelf de keel oversnijden zonder bloed, met slechts een beetje pijn, en daarna de wonde laten hechten in een rariteitenkabinet. Een nieuw soort tatoeage zetten bij mijn broer nadat ik eerst de huid van zijn rug heb verwijderd. Een papegaai die letterlijk uit mijn hand eet en doorbijt zodra ik mijn hand wil wegtrekken: oefening in zelfbeheersing, heet dat dan. Een halsketting die ik met cuttermes aanbreng voor ik uitga met mijn maatjes. Een elleboogpiercing nadat ik mijn onderarm heb gestroopt en een prothese heb geplaatst mét piercing. Droomanalyse, iemand?

En verder ben ik nogal een gemakkelijke. Genre 'count your blessings' en 'be thankful for what you’ve got'. Het zou ook nogal pretentieus zijn anderszins, met een zorgeloze jeugd, een eigenzinnig lief, wijze vrienden, een fijn huis, een toffe job en een pracht van een dochter. Ik vraag me ook af of we wel de wildste dromen en meest ambitieuze verlangens hoeven te hebben. Is dat niet een beetje het mantra van de tijd? Hoe wilder, hoe beter, en je hebt het zelf in de hand? Meer willen van hetzelfde, in plaats van gelukkig zijn met wat je hebt?

Ik heb ooit eens gezegd tegen een prof die me suggereerde om te doctoreren, dat ik daar niet van droomde. En als uitleg gaf ik toen dat ik nergens van wou dromen om dan ook niet teleurgesteld te kunnen raken. Een soort zelfbescherming dus. Hij vond dat niet zo’n goede houding, wou liever brandende ambitie zien en zag die lacune waarschijnlijk als typisch vrouwelijk. Hij achtte de kans op succes waarschijnlijk groter als ik wel concrete doelen uitgestippeld zou hebben. En het zou ook best kunnen dat je vastberadener bent als je die ambities eens durft op te schrijven. Maar hoger is niet per definitie beter.

Ooit hoorde ik van een vrouw die een zogenaamde topfunctie had bereikt zonder een of ander hoog diploma. Elke keer was ze een stapje hoger geklommen, elke keer was ze als beste uit de bus gekomen. Maar de onzekerheid bleef. Bij elke stap hoger vroeg ze zich af wanneer ze nu eindelijk door de mand ging vallen, wanneer mensen gingen inzien dat ze niet geschikt was voor de job. Tot het beetje bij beetje tot haar doordrong dat het blijkbaar allemaal volstond. Dat ze alle nodige talenten in huis had en dat onbewust telkens weer bewees.

Ik ken best wel wat ambitieuze vrouwen, maar ken er ook veel die zich stilletjes kritische vragen stellen bij hoogdravende professionele aspiraties, dat als iets oneigenlijks beschouwen, zelf de rem aantrekken. Ik heb ooit op een communicatietraining gehoord dat mannen vaker durven te kiezen voor een job waar ze nog een maatje te klein voor zijn en kunnen in groeien, terwijl vrouwen een job kiezen die hen op het lijf geschreven is en waarvoor ze alle talenten al verworven hebben. En ik zeg niet dat ik het anders doe.

Ik denk dat er net wat meer vrouwen zijn dan mannen die zich door dergelijke afwegingen, door ideeën uit het verleden of door sociale druk laten remmen, door het gevoel dat ze niet genoeg kunnen geven, op het ene of het andere vlak. Maar net daarom is het zo belangrijk dat vooroordelen en angst niet de doorslag geven en de jobs aan mannen overlaten. Omdat onzekere mannen, of erger: incompetente mannen, zich net wel door het rolpatroon gestimuleerd weten. Al moet je natuurlijk eerst nagaan wat je zelf echt wil.

Misschien droomde ik daar ook gewoon niet van omdat ik realistisch was (maar hoe kon ik dat weten?) of dat niet als een ultiem doel kon zien (al weet ik nu dat zo'n absolute term niet nodig is). Bovendien heeft de praktijk, tot dusver althans, uitgewezen dat ik die dromen niet hoefde te hebben om ze opeens te verwezenlijken. Ik heb telkens op het moment zelf beslist dat ik het aan zou durven, ten minste zou proberen, omdat die wens er niet bij voorbaat was. Ik woog de onderdelen een voor een af, probeerde eerlijk te zijn maar ook niet te eerlijk (angst is een slechte raadgever), en begon eraan met het idee dat ik altijd nog kon stoppen (wat ik niet kon, dat is al bewezen).

Intuïtief, want meestal heb ik voor elke optie precies evenveel voor- en nadelen verzameld. Nog zo’n trekje van mijn interne saboteur. Uren opties afwegen en die nauwgezet in ellenlange lijstjes tegenover elkaar zetten, kortom: het proces zo rationeel mogelijk aanpakken, om dan uiteindelijk intuïtief te kiezen uit twee schijnbaar gelijkwaardige opties. Ik zie me nog staan voor de Boekentoren, net afgestudeerd, met de telefoon in mijn hand en mijn vader aan de lijn, een paar minuten voor ik bij mijn toekomstige promotor langs zou gaan. Wel, of niet, of wel, of niet? Welaan dan.

De doorslag gaf de herinnering aan een nachtelijke Aha-Erlebnis toen ik in mijn uppie in Newcastle op Erasmus was. Ik herinnerde mij de overweldigende voldoening toen ik voor het vak ‘The Gothic Novel’ een paper schreef over The Monk van Matthew Lewis, en ik na dagen zwoegen elke zin en elke alinea tot ongekende hoogtes opgetild zag. De gigantische voldoening die dat gaf, de woorden en metaforen die ik keer op keer opnieuw las en die mijn visie beter verwoordden dan ik ooit had durven hopen.

***

Op andere vlakken dan het professionele vlak heb ik evenmin nauwkeurig uitgestippelde dromen die ik wil verwezenlijken voor ik rustig oud kan worden. Dat wil niet zeggen dat ik niet graag eens drie maanden zou reizen, een boot zou willen kopen, een herenhuis in het centrum of boerderijtje op het platteland, maar het is niet zo’n doel waarbij de rest verbleekt. Daar hangt mijn geluk niet van af. Kinderen waren ook geen ultieme droom, omdat ik vooraf hoegenaamd niet kon inschatten hoe dat ooit zou voelen, wat dat zou veranderen, wie ik zelf zou worden. Voor ik de levenslange en oersterke band ontdekte die een kind me bracht, stonden pro en contra op gelijke hoogte. Gek, in retrospect.

Als ik dromen moet oplijsten, zijn het kleinere dromen, die niettemin onbereikbaar lijken, al is dat misschien voorbarig. Ontzettend goed kunnen dansen met mijn lief bijvoorbeeld. Tango, salsa of lindy-hop, ik zeg maar wat. Ik heb tien jaar geleden salsa geleerd van een Griekse aanbidder en vond dat zalig. Ik heb tango geleerd met een ex-lief, wat begrijpelijkerwijs voor vonken zorgde, en zou nu heel graag kunnen lindy-hoppen. Maar dansen is hoegenaamd geen fantasie van mijn huidig lief, dus daar loop ik niet op te hopen. Al verlang ik wel dat hij het gewoon eens wil proberen om er dan geheel door gebeten te zijn.

En een tweede kindje. Mijn denkbeeldige jeugddroom was vier kinderen of helemaal geen, alles of niets. Voluit voor je kinderen gaan, of voor jezelf kiezen, de wereld zien, op andere vlakken je nut bewijzen. De realiteit heeft die droom al een beetje bijgesteld. In mijn nieuwe utopie lopen al een paar jaar twee kindjes en een pleegkind rond. Zodra mijn eerstgeborene in mijn armen lag, kwam ook het verlangen om dat gevoel vast te houden, opnieuw te beleven, te vermenigvuldigen. En elk moment daarna, ook als het lastiger was, bleef dat gevoel aanwezig. Onderhuids. Knagend soms, neuriënd ook, iets wat zachtjes aan mijn arm trekt. Ik heb nog zoveel liefde over.

En ondertussen pas ik mijn dromen zo’n beetje aan de werkelijkheid aan. Ik maak plannen en begin daarvan te dromen. Als ik een huis verbouw, droom ik hoe het zal zijn als het af is. Toen ik een motor kocht, droomde ik ervan om door de bochten te zoeven. Soms worden die dromen abrupt verbroken, soms zet ik ze zelf in de koelkast, soms komen ze min of meer uit. En als de kans erin zit om een jaar naar Zuid-Afrika te gaan, zoals nu, begin ik daarvan te dromen. Het jaagt me een zekere angst aan, uiteraard, maar sommige dromen moet je proberen te vangen als ze voorbijdrijven.

woensdag 14 maart 2012

Moh, kijkt nu. We zitten hier met een mening

Ik had eigenlijk niet meteen een idee waarover ik mijn mening eens passioneel of semi-professioneel zou verkondigen. Er staan al een paar overtuigingen op de blog: hier en hier en hierzo, ik had nog wel een ideetje over gegenderd speelgoed en het schoonheidsideaal, maar een echte bevlogenheid zat daar voorlopig niet in. Tot ik vorige week de blog van Bieke Purnelle ontdekte, waar veel interessants op te lezen valt, maar die me ook spontaan de oren deed spitsen. Ik ga met het meeste wat ze zegt akkoord, maar uiteraard niet met alles. Ah nee.

Eerst nog even dit: ik ben een verzoener, op elk vlak. Ik probeer koste wat het kost mensen met elkaar te verzoenen, brokken te lijmen, buren te doen opschieten, collega’s te sussen, studenten te verdedigen, soms tegen beter weten in. Vanwaar dat komt, weet ik niet. Mijn jeugd zeker? Alleen met mijn broer kon ik ruziemaken, omdat ik wist dat die band toch nooit verloren zou gaan en hij zich best wel kon verdedigen. En andere heerschappen genre Dirk Verhofstadt of Theodore Dalrymple kan ik rustig in hun ongelijk laten sudderen. Ik ben ook Moeder Theresa niet. En aanstellers (m/v) en roddelaars (m/v) kan ik sowieso niet luchten.

Maar ik heb dezelfde verzoenende neiging dus ook bij vrouwen en feministen. Aaargh! Vrouwen met elkaar verzoenen, laat staan feministen. Waar begin je in hemelsnaam aan? En wat heeft het voor zin? Want wat is een feministe anders dan een vrouw die ook nog eens met hand en tand haar eigen keuzes verdedigt en daar het liefst ook horden medestandsters voor wint? Of het nu cupcakes zijn of een carrière (ik gebruik de paradox bewust), gij zult vechten voor uw overtuiging! Het toppunt van een vrouw, met andere woorden, of je dat nu in goede of kwade zin duidt.

Vandaar dat ik mij niet kan inhouden als ik vind dat iemand onheus behandeld is die het op haar manier goed meent, als een overtuigde visie aangedikt is tot een karikatuur om ze makkelijker te kunnen ontkrachten. Reageren op fora doe ik al lang niet meer, want dat is je reinste tijdverlies en staat garant voor tonnen frustraties. Maar ik heb wel in blogland de feministische pornomaakster Jennifer Lyon Bell verdedigd tegen anti-porno-feministe Tikara, en ik vond Gita Deneckere oneerlijk aangepakt en wou dat toch even melden aan Bieke Purnelle. Wat ik vandaag nog even toelicht, als u het mij permitteert.

Het ging over thuisblijfmoeders versus kadervrouwen, over de huiselijke cocon versus topfuncties, over ‘luie en leeghoofdige loeders’ versus vrouwelijke academici, politici en ceo’s, met andere woorden: over verschillen tussen vrouwen en hun keuzes. Waarbij elke groep door de andere groep hun keuzes geminacht ziet, in woorden of in daden, en al dan niet terecht. Ik wil hier even pleiten voor vrijheid-blijheid, voor een kleine pauze om de situatie van de andere groep eens los van al die clichés te bekijken voor er allerlei vooroordelen in de strijd gegooid worden, voor de mogelijkheid dat ze misschien wel beide waardevol zijn en steun verdienen. Niet om het zogenaamd ultieme zusterschap te bepleiten, wel om het niet moeilijker te maken dan het is.

Ik kan de frustratie van thuisblijfmama’s volkomen begrijpen als hun gezinsvriendelijke werk thuis – maar vooral het maatschappelijk relevante vrijwilligerswerk dat ze ernaast verrichten – wordt verengd tot cupcakes bakken en nagels lakken, thuisblijven en nietsdoen, the easy way out of niet willen wegen op de maatschappij. Dat hun keuzes als gemakzucht worden bestempeld in plaats van een alternatieve manier om maatschappelijke structuren te smeden door buurtwerk, integratie, ecologie, sociale cohesie, palliatieve zorg ...

Maar ik kan ook de frustraties begrijpen van vrouwen met een carrière. Vrouwen die professionele keuzes hebben gemaakt die henzelf en ook anderen gelukkig maken, en die andere vrouwen ongewild zien afhaken om hun plaats aan mindere mannen (boutade!) af te staan. Vrouwen die steeds weer te horen krijgen dat ze hun kinderen wellicht verwaarlozen, dat ze hun prioriteiten (status, geld of toch maar kinderen) niet op een rijtje hebben, dat ze meebouwen aan een kapitalistische mannenmaatschappij en als hamsters in het vrijemarktrad meedraaien zonder positieve impact op de wereld.

Het begrip dat cupcakemoeders (dichterlijke overdrijving!) niet krijgen van carrièremoeders is misschien heel vergelijkbaar met wat die laatsten niet krijgen van de thuisblijvers? Met dat verschil, permettez-moi, dat vrouwen die het klassieke rollenpatroon willen volgen het misschien net iets makkelijker hebben om daarvoor te kiezen omdat het sociaal nog altijd meer aanvaard is? Of onderschat ik de tegenkanting die thuisblijfmoeders krijgen? Klopt het, zoals Verhaeghe stelt, dat hoogopgeleide ouders die radicaal voorrang geven aan hun ouderschap, vooral op hoongelach onthaald worden?

Kunnen we niet, om te beginnen theoretisch, beide opties voluit steunen zoals in Scandinavië? Langer ouderschapsverlof met daarna meer voltijds werkende vrouwen dan elders? En ondertussen het ene noch het andere verketteren of bombarderen tot het ware vrouw-zijn? Inzien dat tijd voor het gezin belangrijk is, maar werk toch ook wel een beetje? Dat loonarbeid niet per definitie jezelf afbeulen is onder het mom van zelfontplooiing en zelfmanagement? Dat je net door de combinatie van gezin, vrienden, vrije tijd én werk, of het betaald is of niet, jezelf leert kennen? En dat vrouwen niet meer dan mannen gedwongen zouden moeten worden om daartussen te kiezen?

Met dien verstande dat beide groepen moeders eigenlijk luxepaardjes zijn. Beide groepen kunnen zelf die keuzes maken, wat niet geldt voor vrouwen die noodgedwongen job en huishouden combineren, en geld hebben voor cupcakes noch nanny’s. Bieke Purnelle gaf dat zelf ook aan, maar schoof ondertussen Deneckere ideeën in de schoenen die volgens mij de hare niet zijn. Dat tegenstanders van kleuterinternaten (brrr) en nanny’s plots ouderwets, rechts en antifeministisch zouden zijn, was hoegenaamd niet wat Deneckere suggereerde.

Uiteraard weet Deneckere dat niet alle vrouwen topfuncties ambiëren, zich nanny’s kunnen veroorloven, of met hard werk en een goede planning een droomcarrière kunnen uitbouwen. Het ging er haar over dat de vrouwen die het kunnen en willen, die zonnefysica willen zijn of arts zonder grenzen, zich soms toch nog laten afschrikken door waanbeelden, sociale druk en de schrik dat hun kinderen onder hun carrière gaan lijden, niet andersom.

Ik denk trouwens ook niet dat kinderen per definitie liefde of aandacht tekort komen als hun moeder voltijds werkt en ’s avonds nog wat doorschrijft terwijl haar bloedjes in bed liggen, als papa voor het eten zorgt of oma hen van school afhaalt, als ze bij de beste onthaalmoeder ter wereld andere kindjes leren kennen. Net zoals ik ook niet denk dat de maatschappij eronder lijdt als moeders (maar ook vaders) uit de ratrace stappen, het kapitalisme in vraag stellen, vrijwilligerswerk doen, met hun stil verzet aangeven dat topfuncties niet per definitie maatschappelijk de meest relevante jobs zijn.

Ik heb altijd schrik dat het weer de moeders of vrouwen zijn die aan het kortste eind gaan trekken. Geen betaald werk verrichten, geen pensioen opbouwen en plots verlaten worden door je man. Wel betaald werk verrichten en met de neoliberale zonden van Israël overladen worden. Ik vind het frappant dat er net nu er meer vrouwen aan de slag zijn, stemmen opgaan dat onze maatschappij in een ethische crisis zit, al deel ik die analyse wel. Net nu er meer vrouwen in de politiek en het bedrijfsleven zitten, krijgen die sectoren minder aanzien. Net nu er meer vrouwelijk huisartsen en leerkrachten zijn, hebben die beroepen niet meer het prestige van weleer, al weet je natuurlijk niet wat de kip en het ei is.

Uiteraard moeten de zogenaamd vrouwelijke zorgtaken veel sterker gewaardeerd worden, maar tegelijk is niet elke topfunctie of voltijdse job maatschappelijk irrelevant en zijn er ook vrouwen die maatschappelijk relevante topfuncties bekleden. Het zou toch jammer zijn om daar de handen vanaf te trekken en dat enkel aan mannen over te laten? Om de aangeboren/opgedrongen neiging van sommige vrouwen om dat niet te durven ambiëren nog wat meer te stimuleren? Om vaders de zorgtaken (weer) uit handen te nemen?

***

En kunnen we dan meteen, nu we toch bezig zijn, ook stoppen met het feminisme enkel en alleen over te laten aan zelfverklaarde feministen als Badinter en Mees, en het zelf honderdvoudig opeisen, het op jouw voorwaarden toe-eigenen, omdat je er zelf ook wel een paar woordjes over kunt meespreken? Feminisme heeft geen rechters of ultieme waarheden. Als feministen met een andere mening zich als feministe opwerpen en een forum krijgen, werp je dan met jouw mening ook als feministe op, zonder het feminisme als geheel te gaan veroordelen. Een ander feminisme, maar even waar in jouw ogen.

Wellicht is dat voor de media iets te genuanceerd en houden veel journalisten nog meer van verbrande beha’s, sjakossengevechten en powervrouwen die de clichés tarten en de controverse voeden. Er zijn misschien niet evenveel feminismes als er vrouwen zijn, maar er zijn er ongetwijfeld meer dan de media opvoeren als het ware feminisme. Als het enige ware feminisme waar alle vrouwen zich eensgezind achter kunnen scharen bestond, waren we al lang allemaal feminist. Dan hadden we ook onder vrouwen niet langer discussies over quota, moederschapsrust, porno, de wil of onwil om dromen na te streven en talenten te benutten. En dan konden de clichés over kijvende wijven weer de stal in.

Meningsverschillen zijn er bij de vleet, mensen verschillen van elkaar, vrouwen evenzeer (dat toont de Wijvenweek als geen ander), maar als het over carrière, moederschap en feminisme gaat, worden vrouwen meteen als elkaars ergste vijand gezien. Waarom gebeurt dat niet bij mannen die van mening verschillen? Zijn dat ooit plots rollende boksers of kemphanen of speelt hun sekse daar geen rol? Stelt iemand ooit de vraag of een man wel onder een mannelijke baas kan werken? En waarom wordt het socialisme niet verketterd als twee socialisten plots een verschillende visie verkondigen?

Waarom worden verschillende visies op vrouw-zijn en moederschap en de keuzes die vrouwen moeten, kunnen of willen maken zo fel tegen elkaar afgezet, alsof vrouwen nooit overeen gaan komen? Moet er dan gekozen worden? Moet er overeen gekomen worden? Is er een ultieme waarheid die voor alle vrouwen moet gelden? Is het dat biologisch wonder dat vrouwen verdeelt en dat mannen naast zich neer kunnen leggen? Is het dat wat polariseert? Is het of-of, of kan het allebei?

Als je ervan uitgaat dat de argumenten voor onbezoldigd maatschappelijk werk de strijd voor quota verzwakken, dan kun je andere vrouwen met veel bombarie maar beter de mond snoeren. Als je ervan uitgaat dat de strijd tegen de ratrace niet gebaat is bij vrouwen die het glazen plafond ook belangrijk achten, kan je die strategisch ook maar beter een voetje lichten. Maar als je ervan uitgaat dat vrouwen verschillen in hun aspiraties en even veel vrijheid moeten hebben als mannen in dezelfde posities om voor hun keuzes te kunnen gaan, kan je toch maar beter geloven dat de waarheid in het midden ligt?

Dat vind ik in elk geval de beste optie: er zijn misschien gemiddelde verschillen tussen mannen en vrouwen, maar wat ben je individueel met die gemiddelden als je er zelf van afwijkt of van alles wat hebt? Er zijn volgens mij meer verschillen tussen vrouwen onderling, en uiteraard ook tussen mannen onderling. Er zijn vrouwen voor wie het moederschap ontzettend belangrijk is, maar er zijn er ook voor wie een goeie job, of die nu maatschappelijk relevant is of net het kapitalisme dient, van levensbelang is. En er zijn er nog veel meer voor wie het allebei belangrijk is, die niet willen kiezen en die zo goed mogelijk in staat moeten worden gesteld om het allebei te combineren.

Want wat zit niet allemaal tussen die uitersten? Zou het kunnen dat vrouwen die een carrière nastreven ook hun kinderen ontzettend graag zien? Dat zij die job niet alleen uitvoeren uit eigenbelang en uit verlangen naar een tweede hypotheek, suv of flatscreen, maar ook omdat hun man minder verdient, minder hard wil werken of meer zorgtaken wil opnemen? Of omdat zij op hun manier op de maatschappij willen wegen? En dan heb ik het alleen nog maar over witte middenklassevrouwen van een jaar of dertig, want als je andere perspectieven (klasse, leeftijd, etnie) erbij betrekt, krijg je nog veel meer dimensies.

En wat moet ik van mezelf dan denken als er zo gepolariseerd wordt? Dat ik een supervrouw ben? Ik dacht het niet. Ik ben bevallen zonder epidurale, heb borstvoeding gegeven, draagdoeken gebruikt, wasbare luiers, maar ik heb ook nog eens een A1-artikel afgewerkt toen Thelma pas drie weken was en gesolliciteerd toen ze acht weken was … Wat een anomalie moet ik wel niet zijn ...

Ik denk bovendien niet dat Thelma daar één greintje liefde minder om gekregen heeft en ik was er zelf nog blij mee ook. Uiteraard kan je het maatschappelijk belang van een academische carrière, of althans het begin daarvan, in vraag stellen. Maar door onder andere dat artikel zit ik vandaag nog op de plaats waar ik ook het onbetwist relevante onderdeel (namelijk onderwijs) nog kan uitvoeren, sta ik economisch op eigen benen en krijgt mijn dochter ’s avonds een blije mama te zien.

Mijn werk zit voorlopig nog in de fase waarin ik grotendeels zelf mag beslissen wat ik doe, waarin ik ook goed betaald word voor wat ik doe (typisch vrouwelijk om dat niet mee te rekenen in het hele plaatje), waar ik wat engagement in kwijt kan, waarin mijn verantwoordelijkheidsgevoel wordt aangesproken en mijn loyauteit groot is (de mosterd komt van bij Verhaeghe). Ik ga er alles aan proberen te doen om zo'n job te kunnen blijven uitoefenen, ook al moet ik er dan veel voor doen.

Want het hoger onderwijs evolueert ook naar een hyperconcurrentieel systeem waarin enkel productiviteit telt, waarvoor een meetsysteem is ontwikkeld (de befaamde A1's) en ik voornamelijk door kwalitatieve evaluaties word beoordeeld. Als ik wil blijven waar ik nu werk, zou ik me overigens moeten omscholen tot iemand die studenten kan klaarstomen voor het bedrijfsleven, terwijl ik mijn studenten vooral wil wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en onder meer les geef over verborgen racisme, de genderproblematiek, het winstbejag van de media en het oorlogsdiscours in kranten.

***

Ik denk bij man-vrouwkwesties ook spontaan aan de schijnbare schizofrenie van Debora Ostrega, Maaike Neuville en anderen die er in interviews vaak prat op gaan dat ze zich beter amuseren met mannen dan vrouwen, die in de verf zetten dat ze even hard boeren en scheten kunnen laten, een libido hebben van hier tot in Tokyo, mannen onder tafel kunnen drinken en zich daarmee dus afzetten tegen vrouwen als groep.

Zij zijn zogezegd de uitzonderingen die de regel bevestigen dat vrouwen maar brave, gematigde moedertjes zijn. Ik vraag mij af hoe uitzonderlijk zij zijn, hoeveel mannen aan die clichés voldoen en wat dat zegt over de maatschappelijke waardering van clichématige mannelijkheid. Als dat is hoe je graag leeft, hoef je dat toch niet meteen als contrast met het ware, lees: ondergeschikte, vrouw-zijn voor te stellen, of als toonbeeld van de ware mannelijkheid?

Die karikaturen doen beide seksen onrecht aan. Als bron voor humor kunnen ze natuurlijk wel dienen, als je er dan echt iets grappigs mee zou doen. En ja, ik heb het tegen u, gij onnozele radiospot. Maar echt van dat binaire denken afstappen is blijkbaar nog altijd bijzonder moeilijk … De ene groep is zus, de andere zo. Er zijn wel wat uitzonderingen, maar structurele verschillen binnen één groep worden het liefst uitgevlakt en weggeredeneerd om de macht van het getal te laten doorwegen.

En toegegeven (maskers af, of zeg ik dat nu om indruk te maken?), ik heb zelf ook zo’n fase gehad waar ik de stoere toer opging om mijzelf zo’n beetje te bewijzen. Mannenpraat en vuile lollen verkopen, vlotjes leren parkeren, voorlopig motorrijbewijs behalen, volleyballen in een mannenploeg, badkamerwandje tegelen, de positie van AA Gent nauwgezet volgen, gyprocplafondje steken, pokeren, als eerste het koude water induiken, beamer feilloos in gang steken, zware dingen tillen, rood vlees eten, enzovoort. Alleen snel rijden heb ik altijd al immoreel gevonden. En roken vond ik net iets te evident als attribuut om indruk te maken of de stoere uit te hangen.

Ik wou de clichés ontkennen (schoenen, shoppen, chocolade, chicklit, romcoms) door andere clichés net te benadrukken, maar daarmee ga je natuurlijk voorbij aan de onderliggende waarheden die ons (m/v/i) in meer of mindere mate binden. Mijn visie nu is dat er plaats en appreciatie moet zijn voor een welverdiende mix van clichés, voor alle waarden achter de clichés, en bovendien nog los van de sekse die ze belichaamt. Dat zaken zoals ambitie, begrip, arbeid, humor en zorg ook op en top vrouwelijk of intrinsiek mannelijk kunnen zijn, geen voorrecht van vrouwen en ook geen dwangbuis voor mannen. En vice versa. Maar dat wist u natuurlijk al.

Idem voor meisjes die met auto’s spelen, moddergevechten houden, boomhutten maken: moeten zij meteen als halve jongens of ‘tomboys’ bestempeld worden, in plaats van gewoon rechtgeaarde meisjes te kunnen zijn? Het is ook écht eigen aan échte meisjes (maar misschien niet alle meisjes) om zulke dingen fijn te vinden, net zoals het ook echt eigen is aan meisjes en aan echte jongens om met poppen te spelen, of in een Ikeakeukentje koekjes te bakken. Zijn die jongens dan meteen ook minder echt? Verwijfd, te zacht voor deze wereld?

Nergens goed voor, als je ’t mij vraagt, dat hokjesdenken en die polarisering. ‘Feministen' zijn zus, 'echte vrouwen' zo, 'echte mannen' doen dit, de rest zijn watjes. Of daar moeten dringend nieuwe hokjes voor verzonnen worden: de ‘nieuwe man’, de ‘metroseksueel’, of laatst in De Standaard: ‘de nieuwe man is gewoon heel gewoon’. Stop eens met dat ‘echt’ en ‘onecht’, omarm de verschillen, aanbid de inconsequenties, laat mensen afwijken en evolueren, zo goed mogelijk hun wensen en noden ontdekken en probeer daar dan maatschappelijk en politiek de nodige ruimte voor te creëren. Dat denk ik zo. Maar ik kan mis zijn.

dinsdag 13 maart 2012

Guilty pleasures en kleine kantjes

Bon. Dingen die ik alleen tegen vriendinnen vertel, heb ik niet. Ik heb geen dingen die ik tegen vriendinnen vertel en niet tegen mijn vrienden: eerlijk is eerlijk. Misschien wel dingen die ik tegen niemand vertel, dat wel, maar die zijn niet zo bloggable, behalve vandaag. Hm. Even denken ... Meeleven met ‘Steracteur Sterartiest’ of ‘Idool’? Potje huilen bij ‘Mijn bevalling’? Kortstondige ‘Thuis’-verslaving? Meekwelen met Arid of Birdy en dan tranen in je ogen krijgen omdat je je mond te wijd opent? Niets van! Geheel onmogelijk, zeg ik u!

En guilty pleasures op eetvlak? Hmm, valt echt mee. Ik snoep niet buitensporig veel, kan chips weerstaan als ik mijzelf eventjes bezig zie, en ik krijg tandpijn van chocolade ook al heb ik geen gaatjes, dat helpt. IJsjes, altijd, maar als ik er te veel aan denk, verdwijnt de goesting. En als de goesting blijft, eet ik een ijsje zonder mij daar schuldig over te voelen. Of chocolade, of chips, of suikerwafels. Maar mij door een heel pak of een halve taart heenvreten is mij nog nooit overkomen. Aperitiefkes op terras, pintjes op café: een zaligheid. Ik pleit geheel schuldig, maar aanzie dat niet voor een zonde.

En kleine kantjes? Ik roddel niet graag, en hoef daarmee al zeker geen onzekerheden te maskeren. Mensen punten geven vanop een terrasje? Ik mag er niet aan denken. Ik ben niet jaloers of nieuwsgierig, heb niet al te veel aandacht nodig en al zeker niet uitsluitend van mijn lief. Ik kom dwangmatig mijn beloftes na, erger mij niet al te snel, bedek veel met de mantel der liefde, kan mijn ongelijk zonder problemen toegeven als ik ongelijk heb en ik de gelijkhebber in kwestie graag zie. Bóóóring!

Maar er is nog meer! Ik voel mij niet zondig als ik mezelf eens verwen of het huishouden verwaarloos. Ik verveel mij gauw met romantische komedies en de Flair, en ik ben al helemaal niet geïnteresseerd in prinsessen en royalties, al had dat ook anders gekund. Ik huil niet vaak, als je vochtige ogen bij tal van ontegensprekelijk diepemotionele taferelen niet meetelt en het rechtgeaarde verdriet evenmin, en ik ben haast van niets bang. En ik denk bovendien niet te veel slechts over andere vrouwen en zaag niet tegen mijn lief over pietluttigheden. Ah, maar wacht eens, de stoefpost was pas zaterdag, nee?

Oké dan: ik kan niet zo goed tegen gibbertrienen, hersenloze praat, volwassen vrouwen die zich als pubers gedragen, collega’s die mij iets vragen wat ze zelf beter weten, misplaatste arrogantie, macho’s die zichzelf te serieus nemen. Ik heb het moeilijk om sociaal, voornaam en welopgevoed te zijn tegen mensen die ik niet al te fijn vind, en vraag me soms af wat ik met te veel vriendelijkheid aanmoet. Ik ontmoet gelukkig veel fijne mensen en de anderen krijgen het voordeel van de twijfel, maar als ik eenmaal mijn oordeel heb, kan ik het moeilijk verstoppen.

Maar of je dat nu kleine kantjes kunt noemen? Ik ben daar eigenlijk nogal redelijk trots op. Ergernis is mij trouwens in het geheel niet vreemd: ik erger mij aan rochels, geclaxonneer, sluikstorten, chauffeurs die zich opwinden om niets, maar probeer die ergernis niet de overhand te laten nemen. En ik durf soms wel eens halflachend mijn dochtertje gade te slaan als ze onredelijk kwaad is om een prul. Maar sadistisch wordt dat uiteraard nooit.

En ik moet toegeven, nu we toch bezig zijn: tegen mijn moeder ben ik niet altijd even lief, en het meest nog op momenten dat ik eigenlijk blij zou moeten zijn met haar hulp. Als ze mij eens uit de nood helpt in huis, bijvoorbeeld, omdat die hulp me met mijn eigen nalatigheid of prioriteiten confronteert, of als ze mee gaat shoppen (doen we niet meer), omdat ik dan met mijn besluiteloosheid en perfectionisme word geconfronteerd. Ik kon vroeger trouwens kribbig, hyperongeduldig en hoogst onverdraagzaam worden als ik honger had, maar vreemd genoeg is dat vanzelf weggegaan. Ouder worden, moeder worden? Ik word soms fysiek nog wel wat slapjes bij zo'n suikerval, maar mentaal heeft het geen desastreuze invloed meer.

Ik heb tot slot, zoals veel vrouwen blijkbaar, iets met to-do-lijstjes, lijstjes om valiezen te pakken of de babysit te briefen (en daardoor mijn verstrooid- en vergeetachtigheid te lijf te gaan), maar als ik dat briefje dan toch eens aan de kant leg, loopt het gegarandeerd mis, wat al meermaals bewezen is. Mijn lief zwiert namelijk het liefst alles meteen in de auto zonder mijn lijstje af te vinken, zodat ik niet kan zien of we de babyfoon, handdoeken, al mijn schoenen, of de onderlakens, hoeslakens en kussenslopen wel degelijk niet hebben achtergelaten. De lijst is niet toevallig!

***

En ik heb ook nog een geheel ander pakket met kleine kantjes, maar die doos laat ik liever zo lang mogelijk gesloten. Luistert en aanschouwt. Ik zal eens iets openbaren in het kader van ‘Te Gek!?’ en het taboe op psychische flippartijen. Ik heb namelijk een interne saboteur. Owla, even wachten, ik zie meteen in gedachten Standaardredacteur Tom Heremans opduiken, op zoek naar sappige verhalen om vrouwen nog eens in hun blootje te zetten.

Lees gerust verder, zou ik zeggen, maar lees net dat ietsje meer voor u stopt bij de clichés, beste Tom. Monster de diversiteit op een en dezelfde blog, aanschouw de verschillen tussen vrouwen onderling (morgen meer daarover), eigen u de humor en ironie niet schaamteloos toe, lees ook de schaarse mannenblogs in deze wijvenweek. Wees een beetje eerlijk met al die eerlijkheid. Dank u.

Soit, we kunnen voort met de hoogdravende bekentenissen over mijn persoonlijke interne saboteur. Let wel: hij komt maar af en toe opduiken. En ook: het is al lang geleden. Ik ben ondertussen de meeste van mijn neuroses kwijt, heb mijn hinderlijke perfectionisme tot aanvaardbare proporties herleid, kan daardoor de ergste ellende maar vooral de energievretende details relativeren, en neem de kwalijke overblijfselen er met veel liefde bij.

Soms blijft het bij elke pagina van de krant willen omslaan als ik ergens op tijd moet zijn, om middernacht nog een blogbericht schrijven als ik eigenlijk al een hele week moet bijslapen, dwaze details die er niet toe doen op het laatste moment veranderen, zoeken tot ik iets vind wat ik eigenlijk niet nodig heb, een broodbakmachine voor het eerst in gang steken na middernacht, mijn trui verzuimen aan te doen als ik te koud heb, niet naar toilet gaan als ik moet, of beter nog: voor ik de deur uit ga, eten opscheppen als ik eigenlijk genoeg heb en dat dan nog opeten ook, aan alle shampoo’s in de supermarkt wel iets fouts vinden, geen Dafalgan nemen als ik met een gigantische kater zit …

Maar het neemt veel gedaantes aan, hoewel ik ‘m steeds beter de baas kan. Het gaat ook om deadlines uitdagen: een derde van het werk doen in de eerste helft van de tijd, zodat er nog maar één helft overblijft voor de laatste twee derden. Uitstelgedrag dus. Een boek uitlezen dat je niet interesseert. Vakliteratuur heel grondig lezen terwijl je niet weet of je het artikel ooit zult gebruiken.

De kabel van de beamer te hard vastdraaien in je laptop, zodat je nog een kwartier in het leslokaal moet nablijven om die kleine prutsvijsjes zonder schroevendraaier weer los te krijgen. En dingen alleen doen waarvoor je eigenlijk met z’n tweeën moet zijn, zoals een tv in een kast schuiven waarvan je ondertussen een plank naar boven moet duwen omdat de tv er eigenlijk niet inpast.

En soms neemt die saboteur geheel de overhand. Dat is mij al een paar keer overkomen, maar gelukkig ligt die periode al een hele tijd achter mij. Dan gaf iets in mij heel stellig en samenzweerderig aan dat mijn zintuigen niet te vertrouwen zijn, dat ik dingen hoor op de radio die zo van de pot gerukt zijn dat ik mijn oren niet mag geloven, dat ik dingen lees in de krant die te gek voor woorden zijn en er niet meer zullen staan als ik mijn zinnen terug heb.

Of dat ik in de douche de temperatuur van het water niet kan inschatten. Ik vreesde dan ook werkelijk dat het water kouder zou worden als ik aan de warme kraan zou draaien. Om dan bij de praktijktest ook niet meer kunnen beoordelen of het nu zo was of niet. Brrr. Ik geloofde in die periodes ook vaak niet wat mensen me zegden. Dacht dat ik dingen hoorde die hoegenaamd niet konden kloppen als er maar een beetje gezond verstand aan te pas kwam. Wat natuurlijk geheel contradictorisch was. Ah ja.

Ik heb zoiets telkens meegemaakt in periodes van grote stress: toen ik terugkwam van Erasmus en flipte op de keuzevakken, toen ik te veel papers moest schrijven in mijn postgraduaat, en toen ik na jaren opzoekwerk moest beginnen te schrijven aan mijn doctoraat en dacht dat ik niets interessants verzameld had. Lost, verloren, zeker omdat het intellectueel werk is wat je moet doen. Ik moet je allicht niet vertellen dat het behoorlijk angstaanjagend is dat je je eigen oordeel en zintuiglijke indrukken niet meer gelooft, dat je details niet meer van hoofdzaken kunt onderscheiden. Alles komt op je af en je zet als een ware drama queen jezelf klem omdat je geen prioriteiten kunt bepalen. Zoals de blokjes in Tetris die aan het eind steeds sneller vallen tot het game over is.

Sindsdien herken ik het gevoel wanneer het opkomt en ben ik er zo mee vertrouwd dat het mij geen angst meer aanjaagt. Ik weet dat het weer weggaat als ik doe alsof er niets aan de hand is, gewoon de orde van de dag volg en genoeg slaap. Het begint altijd ’s ochtends met onverklaarbare zenuwen en ik die mezelf vanuit het perspectief van een buitenstaander lijk gade te slaan. Ik probeer dan geen acht te slaan op mijn gewaarwordingen en geen belang te hechten aan wat ik allemaal aan uitzonderlijks opmerk.

Maar sinds de laatste periode uit 2004 heeft het zich nooit meer tot na de middag voortgezet. Dat was daarvoor wel even anders. Een week tot tien dagen kon het duren en het bracht een groot onbehagen, stress en uiteraard ook benauwdheid met zich mee. Ik begon dan ook alles van vroeger in twijfel te trekken. Wist 100% zeker dat mijn scriptie toch niet zo goed was, dat ik mij door vriendschappen had laten bedotten, dat ik hoegenaamd geen talenten had, dat ik maar wat aanmodderde, dat ik mensen feilloos had bedot en zij mij daarin gedwee hadden gevolgd.

Een tijdelijke depressie dus en lichte paranoia. Mijn moeder dacht dat er zich traag maar zeker een psychose ontwikkelde en nam dan tijdelijk mijn leven in handen door mij een lijst met taken te laten afwerken in de door haar opgedragen volgorde (schildpad in winterverblijf steken, tandarts bellen, groepstaak afwerken, boeken naar de bib brengen ...). Mijn vader toonde evenveel begrip, maar weet het aan een vorm van bewustzijnsvernauwing. Grappig genoeg de kwaal waarmee negentiende-eeuwse vrouwen om hun oren werden geslagen …

Ondertussen heb ik ook de minder kwalijke trucs van mijn interne saboteur al goed doorgrond en laat ik me steeds minder vangen. Ik heb namelijk de ultieme strategie gevonden: ik probeer de hele zaak op de spits te drijven, mijn défauts in sterktes om te zetten en … mijn interne saboteur te saboteren! Ha! Als dat niet het toppunt van neurose is … En ondertussen denk ik er zelfs niet meer na bij die tweevoudige pootje-lap, maar ben ik spontaan mijn betere zelf geworden. Meestal dan toch.

Dat wil zeggen: bij belangrijke afspraken een bus en een trein vroeger vertrekken om onmogelijk te laat te kunnen zijn, alvast heel even aan een taak beginnen om daarna weer te stoppen (wetende dat ik er toch aan voortdoe als ik eenmaal begonnen ben), een onnodige activiteit in het midden van de actie prompt onderbreken (omdat ik weet dat ik de draad later niet meer ga opnemen).

Of op automatische piloot de tafel afruimen als ik mezelf dreig te overeten, in het geheel geen goede voornemens maken, mezelf geen dieet opleggen (verboden vrucht, weetjewel), maar alles toelaten en voortdurend aan verbodsmiddelen denken, zodat de zin erin verdwijnt. Zo slim ben ik ondertussen wel, al lukt zo'n dubbele houdgreep uiteraard niet altijd.

En met een kind weet ik ondertussen dat ik een deadline voor een deadline moet inbouwen, want dat het niet enkel meer van mij afhangt. Lijkt te lukken voor echt belangrijke deadlines, de andere hoor ik nog graag eens voorbij zoeven. Alleen incalculeren dat dochterlief ’s nachts ook wel eens kan wakker worden als ik er lichtjes doorzit en dan vroeg genoeg gaan slapen, lukt nog niet. Maar ja, wie zei er dat perfectie de norm moet worden? Ik alvast niet.

Bovendien haal ik er mijn empathie uit voor verstokte procrastineerders en depressieven, mijn zelfrelativering, een motto zoals ‘moeilijk gaat ook’, en een groot doorzettingsvermogen. Ik geef haast nooit iets op omdat het te moeilijk lijkt. Ik heb er dus ook veel aan te danken: ik heb klussen aangepakt die mij niet haalbaar leken, maar die ik uiteindelijk toch maar geklaard heb. Ik kan ondertussen veel aan, zolang ik ervoor waak dat ik de balans een beetje in het oog houd.

En ging u dan nu in de commentaren zeggen dat u dat allemaal herkent en ik daar maar niet te veel mee moet inzitten?

maandag 12 maart 2012

Beautyqueen in het diepst van mijn gedachten

Bijna tien jaar geleden, na een feestje in het huis dat ik toen deelde met vrienden, lag ik net in bed met mijn toenmalig lief, toen ’s ochtends rond een uur of tien een van zijn beste vriendinnen, binnengelaten door mijn huisgenoten, er lekker gezellig bij kroop. En wat zei ze om mijn lichte verbazing om zoveel onverwachte intimiteit te smoren? ‘Amai, gij ziet er zelfs ’s ochtends kweet-nie-oe knap uit!’ Was dat even een boost voor mijn ochtendlijke zelfvertrouwen ...

Maar wat ze niet wist, of niet in rekening bracht, was het simpele feit dat ik me niet ontschminkt had voor ik in bed dook, dat mijn gezicht nog niet de kans had gekregen om uit de plooi te vallen na zoveel plezier, dat mijn eyeliner en mascara ook netjes waren blijven zitten waar ze thuishoorden. Dat ik dolverliefd was en daardoor straalde, wist ze, dat ik tien jaar jonger was, vertel ik er nu bij, dat het gewoon toeval was, kan natuurlijk ook. Of waren het mijn sociale sensoren die onbewust werken voor nieuw publiek?

Feit is natuurlijk dat ik er ’s ochtends, maar ook ’s avonds, ’s middags, ’s nachts, afhankelijk van veel factoren, in willekeurige volgorde moe, gestresseerd, bleek, seutig of saai kan uitzien. En daar doe ik over het algemeen niets aan. Mezelf en mijn haar wassen uiteraard wel, maar daar dacht ik in eerste instantie zelfs niet aan. Oorbellen, ketting, horloge en ringen behoren ook tot mijn standaarduitrusting. Maar het blijft bij louter hardware: potjes, flesjes en tubes laat ik dicht, tenzij er een staaltje dagcrème met UV-filter rondslingert.

Vroeger had ik van Clinique eens een goeie oogschaduwstick als staaltje gekregen en dat leek altijd wonderen te doen als ik 's avonds thuiskwam en er toch wat monterder wou uitzien. Maar om een of andere reden verkochten ze die ‘smudgesicle’, zo heet dat echt, alleen in Amerika of Antarctica, en de zin om een nieuwe te gaan scoren woog niet op tegen het levensgrote belang ervan. Andere potjes lijken mijn vel meer kwaad te doen dan goed.

Ook vroeger, tijdens mijn studentenjob in een Gents café, kwam ik na vijven niet buiten zonder zo’n fifties eyelinerlijntje en wat mascara. Ik was daar zeer bedreven in en werd alleen maar beter door dat dagelijks te doen. En als ik dat eens niet aanhad ‘s avonds, wezen mijn liefste homocollega’s daar meteen bij binnenkomst op.

Ik droeg ook bijna altijd nagellak. Ik heb sterke nagels en kon die ook haast feilloos lakken, wat ik een voldoende reden vond om dat ook halfwekelijks te doen. Ik had natuurlijk ook geen kind dat net zou dreigen te vallen als mijn nagels aan het drogen waren of een gigantische snottebel zou niezen. Wat had er mij in godsnaam kunnen tegenhouden?

Maar na die fase vond ik plots dat ik niet (zoals mijn moeder) enkel geschminkt de deur uit wou kunnen, dat ik niet wou schrikken als de bel zou gaan voor ik ‘toonbaar’ was, dat ik niet wou horen dat ik er moe uitzag, enkel en alleen omdat ik geen make-up droeg die dag. En dus is het nu al een hele tijd de ‘look naturel’ overdag.

En zelfs ’s avonds, als ik vind dat het allemaal nog best te pruimen valt, is het de laatste tijd vaak zonder versiersels, tenzij ik mijn wenkbrauwen een beetje prononceer, wat bruine mascara opstrijk, een streepje kohl in mijn ooghoeken toevoeg. Subtiliteiten, meer niet. Ik schrik zelfs als ik me voor de gein toch weer eens zo’n lijntje aanmeet.

Het gaat dus een beetje van weg en weer, van veel tijd of geen goesting en beslissingen van het moment. Ik vond trouwens heel lang dat ik er elke keer anders uitzag als ik in de spiegel keek, dat ik er hoegenaamd geen staat op kon maken hoe ik telkens voor de dag kwam (de foto geeft een idee). De spiegel was altijd schrikken, gelukkig zowel in goede als in slechte zin. Komt ook door mijn krullen, die liefst hun eigen zin doen, al heb ik na het einde van de borstvoeding geen bad hair days meer gehad -- althans niet in vooraanzicht.

Voor en na's, zomer- en winterlooks, builen, blutsen en bevallingen bij 33°, KWay's en smokey eyes, flits en schemering, maar meestal naturel.



Er zitten uitersten in mij, waar ik heel graag tussen schipper. Ik doe niets liever dan in de kleren van de vorige dag springen, zonder te checken of ze nog onbevlekt zijn of lekker ruiken. Ik hou van de gedragenheid, het losse, het vertrouwde, niet hoeven te kiezen. Ook vroeger, toen er nog overal gerookt werd, ook al ben ik zelf een niet-roker. Ik hou ervan om op weekend in dezelfde jeans te kruipen die al stijf staat van de modder, met een versleten T-shirt of oude gilet.

En tegelijk heb ik mij ook een kleuranalyse laten aanpraten, kan ik ervan genieten om de tijd te nemen om in het schoonste kleedje uit mijn kast te glijden, de gepaste botten uit te kiezen, ketting, ring, oorbellen aan te meten en te genieten van de blikken. Nooit bling-bling of wegwaaistofjes, meestal vintage of tweedehands of look-alikes genre WTG, Betty Page, King Louie, daarin telkens ook aangemoedigd door mijn oude en nieuwe lieven en hun complimenten, ik geef het toe.

Het heeft trouwens lang geduurd voor ik een eigen stijl had gevonden. Ik zat op een uniformschool, dus in de week was dat ten node doordeweeks gekleed gaan, op zaterdag ging ik naar de jeugdbeweging, dus dat was verplicht jeans met hemd, en enkel met de zondagskleren een garderobe opbouwen en miskopen vermijden was hoegenaamd niet simpel. Ik keek altijd stiekem op naar extravagant geklede passanten, maar het was sparen en wachten en maar af en toe iets kunnen kiezen dat uit de band sprong. Of dat soms ook gewoon in de kast te laten hangen omdat het te gewaagd bleek. Heel vreemd dat ik net daar geen foto’s meer van heb!

Mijn moeder wou altijd dat ik me wat vrouwelijker zou kleden toen ik aan het puberen was, want ik was jong en die glansrol zou voorbij zijn voor ik het wist. Maar het was nu eenmaal de tijd van stretch jeans, combats en wijde T-shirts. Rokjes waren voor seuten. En welke° schoenen droeg je daar in hemelsnaam onder? Ik was trouwens ook van mening dat ik met mijn brede schouders alleen lompe schoenen kon dragen om alles een beetje in evenwicht te houden. Het idee alleen al.

Pas na het adieu aan mijn uniform, de jeugdbeweging, de intrede op de unief, de bijverdienste en de lieven met hun complimenten en voorkeuren heb ik gaandeweg gevonden wat me stond, wat ik fijn vond, wat stoer was en toch vrouwelijk. En nu gaat de kooplust met fases: meestal vermijd ik angstvallig de winkelstraten en pashokjes en koop ik enkel in de solden zonder enige remming een hele voorraad aan. Daarna heb ik dan nog wéken zin om die verzameling uit te breiden, omdat de oude bekende kleren verbleken bij al dat nieuws. Dan bekruipt mij zelfs even de zin om als fashionista door het leven te gaan …

Maar zodra ik denk aan de bergen geld en tijd die daarin kruipen, de oppervlakkigheid van de strijd om ‘in’ te zijn, de standaardmaten die je daarvoor nodig hebt, de gigantische berg overbodige spullen die iedereen naar zijn hol sleept, het loon van de vrouwen die al die spullen maken, en de energie die ik liever voor belangrijke dingen voorbehoud, is die zin in een mum van tijd bedwongen en doe ik voort met de beproefde stuks.

zaterdag 3 maart 2012

Thelmataal (6): Oordjes & ieuwigheden

Sommige kindjes laten de laatste letters weg als ze nieuwe woorden leren, anderen laten de eerste letters weg. Thelma behoort tot de laatsten. Je krijgt dan het opmerkelijke 'oere!', 'oere!' als ze in de soep aan het roeren is. Aap wordt 'aapje', maar schaap wordt ook 'aapje'. Soep wordt 'oep', maar snoepje wordt 'oepje'. Een snor is 'nor', ster is 'ter', schoenen zijn 'oene', sloffen zijn 'offe', tong is 'ong', en schuim is 'uim'.

Inkorten is soms nog ingrijpender. Lieveheersbeestje wordt het economische 'eesje'. Boem-tsjakkalakkalakkalakka-boemboem, als we meezingen met de radio, wordt 'tsja-tsja-boeboem'. Een parking vol met auto's is 'parkauto'. Nog een beetje is 'kebeetje', en een boek dat gevallen is, wordt 'boek evajje'. Ze zegt nu trouwens ook drie-woord-zinnen zoals 'ook-e-beer-evajje' of 'nie-poepe-washe'. En dat terwijl ze volgens de statistieken pas zes woorden hoeft te zeggen.

Soms haalt ze ook de middelste letter uit het woord en plakt ze die vooraan. Een boterham in de soep doppen wordt 'poppen', stampen met de voeten wordt 'pappen'. Het doekje waarmee ze slaapt wordt 'koekje', wat voor veel verwarring zorgt als het bedtijd is. Beginletters zijn ook vaak nadrukkelijk fout: nog is nog steeds 'kog', zo is 'to', fles blijft 'wesh' en vlees 'weesh', muziek is 'piek'. 't Gaat hier nogal vooruit met die taal: binnenkort rondt ze de kaap van 100 woorden, schat ik.

Andere toppers de laatste tijd zijn: 'wiki' voor kiwi, 'wiessie' voor televisie, 'töre' voor toren, 'pushje' voor puzzel, 'eepje' voor lepeltje, 'waaw' voor sjaal', 'pòpòh' als Bernard iets doet wat haar niet zint. 'Ope-dit' is open en dicht. En weet je wat? Ze spreekt voortdurend met twee woorden en zegt dus stellig: 'nee mama' of 'mama nee', 'nee papa' en 'kom mama'. En wat zegt ze helemaal juist? 'Peukje', 'boekentas', 'hatsjie' en 'kikker'.

Uitgebreider ontboezemingen bewaar ik voor de wijvenweek, waar ik voor één week eens over mezelf ga bloggen zonder obligate link met Thelma. Maskers af, maar niet de billen bloot.