vrijdag 16 maart 2012

Zelfcensuur


Ik blog normaal niet over mezelf, maar over Thelma en alles wat van dicht en ver met haar te maken heeft. Voornamelijk omdat haar lieve meter zo ver weg woont, en in dezelfde beweging ook voor vrienden in het buitenland. Aanvankelijk kwam daar nog de hoop bij om ook haar bomma en bompa, die we minder vaak zien, kleine maar rake verhalen mee te geven, maar die hoop is ijdel gebleken.

Na anderhalf jaar blijkt dat ‘Het leven van Olijfje’ bomma en bompa niet bereikt, maar dat Olijfje wel andere familieleden, vrienden en collega’s tot haar trouwe lezers mag rekenen. En ook voor Thelma moet het natuurlijk geweldig zijn om later een verhaaltje te lezen over elke week van haar leven, over haar taalontwikkeling, haar schattigheid, onze liefde voor haar. En over haar moeder, tijdens Wijvenweek.

Over mezelf schrijf ik al jaren. Over mijn relatie en over mijn lief, en over mezelf in die relatie. Maar dat is alleen voor mijn ogen bestemd. Af en toe geef ik een licht gekuiste versie als brief af aan mijn lief, om hem in mijn hoofd te laten gluren of naar zichzelf te laten kijken. Om vast te houden wat we in gesprekken delen en wat zo vlug vervliegt.

Omdat gewikte en gewogen woorden vaak zoveel zachter zijn. Al slaat het me soms ook met verstomming, die betekenissen en bekentenissen die soms pas weken later hun volle gewicht krijgen. De waarheid die tussen de regels verscholen zit en pas in retrospect haar ware gelaat laat zien.

Behalve een Boek Bernard, heb ik een Boek Bruno, een Boek Klaas en een Boek Jo, dat later mijn eigen naam kreeg omdat er van Jo al gauw geen sprake meer was. De boeken gaan over mijn twijfels, mijn verlangens, de nasleep van een liefde of de storm van een verliefdheid. Ik heb ze recent niet meer herlezen, maar weet dat ze er zijn. Getuigen van wie ik was en wie ik werd. Op de sofa bij mezelf, psychoanalyse zonder kluiten. Rationeel proberen te vatten wat emotioneel aan jezelf ontsnapt.

De zelfcensuur heb ik de voorbije dagen al behoorlijk achterwege gelaten, maar het blijft natuurlijk een publiek persona, de vrouw die ik aan jullie openbaar. De af- en aanwezige Beauty Queen in mij, een relaas van lichte storingen en depressies, mijn visie op vrouwenzaken/zakenvrouwen, mijn allerliefste dromen ...

De uitnodiging vandaag om iets te schrijven over wat mij frustreerde deze week leek mij aanvankelijk moeilijk te worden. Ik ben masochistisch-optimistisch, dus veel probeer ik toch weer van de goede kant te zien. Ik blijf hopen en doorzetten tot ik mezelf erbij verlies. En zelfs dat maar voor heel even, als het even kan. Maar de ergernis of tristesse is er op tijd en stond wel natuurlijk.

Ergernis en tristesse omdat mijn lief ontslagen is na vijf jaar hard werken. Omdat hij enkele fouten had gemaakt die hij heeft toegegeven, maar waarvoor hij terecht niet de volle verantwoordelijkheid heeft willen nemen. Ergernis omdat de muzikanten hem omschreven als plichtbewust, attent, behulpzaam en heel professioneel. En hoezeer ze hem gaan missen. Ergernis omdat hij geen afscheid krijgt, maar simpelweg aan de deur is gezet, net zoals de zovelen anderen die hem voor zijn gegaan.

Ergernis en tristesse om de gepubliceerde foto’s van de omgekomen kinderen bijvoorbeeld. Anderen verwoorden wat ik ook voel. Hoe vreselijk het moet zijn om de allerlaatste herinneringen aan je kind schaamteloos van een blog geplukt te zien. Hoe onrechtvaardig en wraakroepend het moet zijn dat net die laatste foto van je kind zonder jouw toestemming te grabbel wordt gegooid voor een publiek van honderdduizenden lezers. Dat suckte en dat frustreerde mij.

En nog iets. Een kortstondig misantropisch baalmoment gisteravond dat in het niets verdwijnt bij de busramp, maar er uiteindelijk toch meer mee te maken had dan ik dacht. Ouders die niet weten met welke schatten ze morsen, ouders die hun kind als een last of concurrent beschouwen ...

Rond half zes vertrok ik naar mijn ouders, waar Thelma op donderdag met nichtje Louise gaat spelen. Ik had overdag bijlange niet kunnen doen wat ik wou, kon mijzelf zo’n beetje voor de kop schieten, en kon me niet afreageren op de fiets, want mijn lief had me ’s ochtends bij het werk afgezet. Met de tram en bus dan maar naar het ouderlijke huis.

Normaal heb ik geen last van een lichte aversie voor het openbaar vervoer, heb ik literatuur of muziek mee om mij te behoeden voor misantropie, maar nu was het al een tijd geleden, waren de gebruikelijke verbindingen van tram 4 en bus 6 onderbroken, was een halte van tram 1 geschrapt waar ik nog niet van wist, en was ik aan het afwegen of ik te voet zou voortgaan of zou wachten, tot mijn hoge botten beslisten om toch de tram op te springen. De tol van het vrouw-zijn?

Een overvolle tram, waar ik met mijn zware rugzak nog maar net bij kon, maar waar na mij nog vijf meisjes instapten. Drummen dus, terwijl het buiten 20°C was. Instant spijt van mijn beslissing. Te meer omdat de tram in een slakkentempo vooruitkroop in de Nederkouter en zeker een kwartier heeft stilgestaan aan de Ketelvest. Gewoon stil, roerloos, in de file blijkbaar, terwijl ik tal van voetgangers al voor een tweede keer zag passeren met topjes, rokjes maar ook pijnlijk knellende zomerschoenen waar het wintervel nog niet klaar voor was.

Op de tram zat een ziedende roddeltante die verbeten medestanders zocht voor haar visie, en een West-Vlaamse anarchist die overliep van eigenliefde en met luide stem op het hele gebeuren in de tram commentaar gaf. Ik ga het hier niet helemaal uittikken, maar het was gênant, oninteressant, aanstellerig, irrelevant. Het waren dingen die ik allemaal niet hoefde te weten en ondertussen bleef de tram stilstaan en kroop de tijd vooruit.

De bus die ik daarna moest nemen, maakte al wat goed. Onmiddellijk aansluiting, plaats om te zitten, een stevig tempo, maar helaas ook een paar keer bruusk gerem, claxongetoeter, geroep, frustraties. Ik haat frustraties in het verkeer. En dan schuin tegenover mij een moeder met een allerschattigst zoontje van een jaar of acht, dat haar van alles vertelde waar ze ternauwernood op reageerde.

Ik begrijp dat niet. Echt niet. Moeders die geen acht op hun kinderen slaan. Moeders die de verhalen van hun kinderen beantwoorden met stilzwijgen. Die zelfs niet zeggen: ‘Ja, zoetje, ik weet het, allemaal heel interessant wat je wil worden, maar vertel het me later nog eens opnieuw, want ik heb een drukke dag gehad’. Moeders die daarentegen antwoorden met een zucht of een loodzware stilte. Wat voor signaal geef je dan?

Ik kan begrijpen dat het niet ontzettend tof is dat je zoontje zegt dat je wat vroeger moet gaan slapen, omdat je van die dingetjes onder je ogen hebt, maar wegkijken is toch gewoon geen optie? Zo’n lief manneke. En ze had geeneens wallen. Ze leek zelfs een mooie glimlach te hebben. Ze had misschien zorgen in haar hoofd, trauma’s of stil verdriet, maar je hebt als ouder toch de toekomst van je kind in handen. Misschien was het maar voor even, een kleine black-out, maar mij leek het een beproefd patroon. En je ziet het zo vaak.

Ik heb geen kind dat mij de oren van het hoofd zaagt en ik zal dat ook nooit hebben. Ik sta mezelf niet toe om de woorden van mijn kind ooit als gezaag te beschouwen. En ik kan het mij evenmin voorstellen dat er kinderen zijn die oeverloos zeuren als ze op tijd en stond wat echte aandacht krijgen of duidelijke grenzen worden gesteld. Het is zo ontzettend sneu als zoveel enthousiasme in de kiem al wordt gesmoord.

Ik heb zelf een ukkie dat tot mijn grote verbazing en eindeloos plezier zinnen brouwt, terwijl ze eigenlijk nog maar zes woorden hoeft te kennen. Ze is twintig maanden en zei gisteren: ‘Ook-e(en)-keer-(z)waaien-t(r)ein-(L)ouisje?’ Je moest eens weten hoe ontzettend blij ik was om de bus af te stappen, op naar mijn kind en haar grote verhalen.

donderdag 15 maart 2012

Dromendag


Mijn wildste dromen? Mezelf de keel oversnijden zonder bloed, met slechts een beetje pijn, en daarna de wonde laten hechten in een rariteitenkabinet. Een nieuw soort tatoeage zetten bij mijn broer nadat ik eerst de huid van zijn rug heb verwijderd. Een papegaai die letterlijk uit mijn hand eet en doorbijt zodra ik mijn hand wil wegtrekken: oefening in zelfbeheersing, heet dat dan. Een halsketting die ik met cuttermes aanbreng voor ik uitga met mijn maatjes. Een elleboogpiercing nadat ik mijn onderarm heb gestroopt en een prothese heb geplaatst mét piercing. Droomanalyse, iemand?

En verder ben ik nogal een gemakkelijke. Genre 'count your blessings' en 'be thankful for what you’ve got'. Het zou ook nogal pretentieus zijn anderszins, met een zorgeloze jeugd, een eigenzinnig lief, wijze vrienden, een fijn huis, een toffe job en een pracht van een dochter. Ik vraag me ook af of we wel de wildste dromen en meest ambitieuze verlangens hoeven te hebben. Is dat niet een beetje het mantra van de tijd? Hoe wilder, hoe beter, en je hebt het zelf in de hand? Meer willen van hetzelfde, in plaats van gelukkig zijn met wat je hebt?

Ik heb ooit eens gezegd tegen een prof die me suggereerde om te doctoreren, dat ik daar niet van droomde. En als uitleg gaf ik toen dat ik nergens van wou dromen om dan ook niet teleurgesteld te kunnen raken. Een soort zelfbescherming dus. Hij vond dat niet zo’n goede houding, wou liever brandende ambitie zien en zag die lacune waarschijnlijk als typisch vrouwelijk. Hij achtte de kans op succes waarschijnlijk groter als ik wel concrete doelen uitgestippeld zou hebben. En het zou ook best kunnen dat je vastberadener bent als je die ambities eens durft op te schrijven. Maar hoger is niet per definitie beter.

Ooit hoorde ik van een vrouw die een zogenaamde topfunctie had bereikt zonder een of ander hoog diploma. Elke keer was ze een stapje hoger geklommen, elke keer was ze als beste uit de bus gekomen. Maar de onzekerheid bleef. Bij elke stap hoger vroeg ze zich af wanneer ze nu eindelijk door de mand ging vallen, wanneer mensen gingen inzien dat ze niet geschikt was voor de job. Tot het beetje bij beetje tot haar doordrong dat het blijkbaar allemaal volstond. Dat ze alle nodige talenten in huis had en dat onbewust telkens weer bewees.

Ik ken best wel wat ambitieuze vrouwen, maar ken er ook veel die zich stilletjes kritische vragen stellen bij hoogdravende professionele aspiraties, dat als iets oneigenlijks beschouwen, zelf de rem aantrekken. Ik heb ooit op een communicatietraining gehoord dat mannen vaker durven te kiezen voor een job waar ze nog een maatje te klein voor zijn en kunnen in groeien, terwijl vrouwen een job kiezen die hen op het lijf geschreven is en waarvoor ze alle talenten al verworven hebben. En ik zeg niet dat ik het anders doe.

Ik denk dat er net wat meer vrouwen zijn dan mannen die zich door dergelijke afwegingen, door ideeën uit het verleden of door sociale druk laten remmen, door het gevoel dat ze niet genoeg kunnen geven, op het ene of het andere vlak. Maar net daarom is het zo belangrijk dat vooroordelen en angst niet de doorslag geven en de jobs aan mannen overlaten. Omdat onzekere mannen, of erger: incompetente mannen, zich net wel door het rolpatroon gestimuleerd weten. Al moet je natuurlijk eerst nagaan wat je zelf echt wil.

Misschien droomde ik daar ook gewoon niet van omdat ik realistisch was (maar hoe kon ik dat weten?) of dat niet als een ultiem doel kon zien (al weet ik nu dat zo'n absolute term niet nodig is). Bovendien heeft de praktijk, tot dusver althans, uitgewezen dat ik die dromen niet hoefde te hebben om ze opeens te verwezenlijken. Ik heb telkens op het moment zelf beslist dat ik het aan zou durven, ten minste zou proberen, omdat die wens er niet bij voorbaat was. Ik woog de onderdelen een voor een af, probeerde eerlijk te zijn maar ook niet te eerlijk (angst is een slechte raadgever), en begon eraan met het idee dat ik altijd nog kon stoppen (wat ik niet kon, dat is al bewezen).

Intuïtief, want meestal heb ik voor elke optie precies evenveel voor- en nadelen verzameld. Nog zo’n trekje van mijn interne saboteur. Uren opties afwegen en die nauwgezet in ellenlange lijstjes tegenover elkaar zetten, kortom: het proces zo rationeel mogelijk aanpakken, om dan uiteindelijk intuïtief te kiezen uit twee schijnbaar gelijkwaardige opties. Ik zie me nog staan voor de Boekentoren, net afgestudeerd, met de telefoon in mijn hand en mijn vader aan de lijn, een paar minuten voor ik bij mijn toekomstige promotor langs zou gaan. Wel, of niet, of wel, of niet? Welaan dan.

De doorslag gaf de herinnering aan een nachtelijke Aha-Erlebnis toen ik in mijn uppie in Newcastle op Erasmus was. Ik herinnerde mij de overweldigende voldoening toen ik voor het vak ‘The Gothic Novel’ een paper schreef over The Monk van Matthew Lewis, en ik na dagen zwoegen elke zin en elke alinea tot ongekende hoogtes opgetild zag. De gigantische voldoening die dat gaf, de woorden en metaforen die ik keer op keer opnieuw las en die mijn visie beter verwoordden dan ik ooit had durven hopen.

***

Op andere vlakken dan het professionele vlak heb ik evenmin nauwkeurig uitgestippelde dromen die ik wil verwezenlijken voor ik rustig oud kan worden. Dat wil niet zeggen dat ik niet graag eens drie maanden zou reizen, een boot zou willen kopen, een herenhuis in het centrum of boerderijtje op het platteland, maar het is niet zo’n doel waarbij de rest verbleekt. Daar hangt mijn geluk niet van af. Kinderen waren ook geen ultieme droom, omdat ik vooraf hoegenaamd niet kon inschatten hoe dat ooit zou voelen, wat dat zou veranderen, wie ik zelf zou worden. Voor ik de levenslange en oersterke band ontdekte die een kind me bracht, stonden pro en contra op gelijke hoogte. Gek, in retrospect.

Als ik dromen moet oplijsten, zijn het kleinere dromen, die niettemin onbereikbaar lijken, al is dat misschien voorbarig. Ontzettend goed kunnen dansen met mijn lief bijvoorbeeld. Tango, salsa of lindy-hop, ik zeg maar wat. Ik heb tien jaar geleden salsa geleerd van een Griekse aanbidder en vond dat zalig. Ik heb tango geleerd met een ex-lief, wat begrijpelijkerwijs voor vonken zorgde, en zou nu heel graag kunnen lindy-hoppen. Maar dansen is hoegenaamd geen fantasie van mijn huidig lief, dus daar loop ik niet op te hopen. Al verlang ik wel dat hij het gewoon eens wil proberen om er dan geheel door gebeten te zijn.

En een tweede kindje. Mijn denkbeeldige jeugddroom was vier kinderen of helemaal geen, alles of niets. Voluit voor je kinderen gaan, of voor jezelf kiezen, de wereld zien, op andere vlakken je nut bewijzen. De realiteit heeft die droom al een beetje bijgesteld. In mijn nieuwe utopie lopen al een paar jaar twee kindjes en een pleegkind rond. Zodra mijn eerstgeborene in mijn armen lag, kwam ook het verlangen om dat gevoel vast te houden, opnieuw te beleven, te vermenigvuldigen. En elk moment daarna, ook als het lastiger was, bleef dat gevoel aanwezig. Onderhuids. Knagend soms, neuriënd ook, iets wat zachtjes aan mijn arm trekt. Ik heb nog zoveel liefde over.

En ondertussen pas ik mijn dromen zo’n beetje aan de werkelijkheid aan. Ik maak plannen en begin daarvan te dromen. Als ik een huis verbouw, droom ik hoe het zal zijn als het af is. Toen ik een motor kocht, droomde ik ervan om door de bochten te zoeven. Soms worden die dromen abrupt verbroken, soms zet ik ze zelf in de koelkast, soms komen ze min of meer uit. En als de kans erin zit om een jaar naar Zuid-Afrika te gaan, zoals nu, begin ik daarvan te dromen. Het jaagt me een zekere angst aan, uiteraard, maar sommige dromen moet je proberen te vangen als ze voorbijdrijven.

woensdag 14 maart 2012

Moh, kijkt nu. We zitten hier met een mening

Ik had eigenlijk niet meteen een idee waarover ik mijn mening eens passioneel of semi-professioneel zou verkondigen. Er staan al een paar overtuigingen op de blog: hier en hier en hierzo, ik had nog wel een ideetje over gegenderd speelgoed en het schoonheidsideaal, maar een echte bevlogenheid zat daar voorlopig niet in. Tot ik vorige week de blog van Bieke Purnelle ontdekte, waar veel interessants op te lezen valt, maar die me ook spontaan de oren deed spitsen. Ik ga met het meeste wat ze zegt akkoord, maar uiteraard niet met alles. Ah nee.

Eerst nog even dit: ik ben een verzoener, op elk vlak. Ik probeer koste wat het kost mensen met elkaar te verzoenen, brokken te lijmen, buren te doen opschieten, collega’s te sussen, studenten te verdedigen, soms tegen beter weten in. Vanwaar dat komt, weet ik niet. Mijn jeugd zeker? Alleen met mijn broer kon ik ruziemaken, omdat ik wist dat die band toch nooit verloren zou gaan en hij zich best wel kon verdedigen. En andere heerschappen genre Dirk Verhofstadt of Theodore Dalrymple kan ik rustig in hun ongelijk laten sudderen. Ik ben ook Moeder Theresa niet. En aanstellers (m/v) en roddelaars (m/v) kan ik sowieso niet luchten.

Maar ik heb dezelfde verzoenende neiging dus ook bij vrouwen en feministen. Aaargh! Vrouwen met elkaar verzoenen, laat staan feministen. Waar begin je in hemelsnaam aan? En wat heeft het voor zin? Want wat is een feministe anders dan een vrouw die ook nog eens met hand en tand haar eigen keuzes verdedigt en daar het liefst ook horden medestandsters voor wint? Of het nu cupcakes zijn of een carrière (ik gebruik de paradox bewust), gij zult vechten voor uw overtuiging! Het toppunt van een vrouw, met andere woorden, of je dat nu in goede of kwade zin duidt.

Vandaar dat ik mij niet kan inhouden als ik vind dat iemand onheus behandeld is die het op haar manier goed meent, als een overtuigde visie aangedikt is tot een karikatuur om ze makkelijker te kunnen ontkrachten. Reageren op fora doe ik al lang niet meer, want dat is je reinste tijdverlies en staat garant voor tonnen frustraties. Maar ik heb wel in blogland de feministische pornomaakster Jennifer Lyon Bell verdedigd tegen anti-porno-feministe Tikara, en ik vond Gita Deneckere oneerlijk aangepakt en wou dat toch even melden aan Bieke Purnelle. Wat ik vandaag nog even toelicht, als u het mij permitteert.

Het ging over thuisblijfmoeders versus kadervrouwen, over de huiselijke cocon versus topfuncties, over ‘luie en leeghoofdige loeders’ versus vrouwelijke academici, politici en ceo’s, met andere woorden: over verschillen tussen vrouwen en hun keuzes. Waarbij elke groep door de andere groep hun keuzes geminacht ziet, in woorden of in daden, en al dan niet terecht. Ik wil hier even pleiten voor vrijheid-blijheid, voor een kleine pauze om de situatie van de andere groep eens los van al die clichés te bekijken voor er allerlei vooroordelen in de strijd gegooid worden, voor de mogelijkheid dat ze misschien wel beide waardevol zijn en steun verdienen. Niet om het zogenaamd ultieme zusterschap te bepleiten, wel om het niet moeilijker te maken dan het is.

Ik kan de frustratie van thuisblijfmama’s volkomen begrijpen als hun gezinsvriendelijke werk thuis – maar vooral het maatschappelijk relevante vrijwilligerswerk dat ze ernaast verrichten – wordt verengd tot cupcakes bakken en nagels lakken, thuisblijven en nietsdoen, the easy way out of niet willen wegen op de maatschappij. Dat hun keuzes als gemakzucht worden bestempeld in plaats van een alternatieve manier om maatschappelijke structuren te smeden door buurtwerk, integratie, ecologie, sociale cohesie, palliatieve zorg ...

Maar ik kan ook de frustraties begrijpen van vrouwen met een carrière. Vrouwen die professionele keuzes hebben gemaakt die henzelf en ook anderen gelukkig maken, en die andere vrouwen ongewild zien afhaken om hun plaats aan mindere mannen (boutade!) af te staan. Vrouwen die steeds weer te horen krijgen dat ze hun kinderen wellicht verwaarlozen, dat ze hun prioriteiten (status, geld of toch maar kinderen) niet op een rijtje hebben, dat ze meebouwen aan een kapitalistische mannenmaatschappij en als hamsters in het vrijemarktrad meedraaien zonder positieve impact op de wereld.

Het begrip dat cupcakemoeders (dichterlijke overdrijving!) niet krijgen van carrièremoeders is misschien heel vergelijkbaar met wat die laatsten niet krijgen van de thuisblijvers? Met dat verschil, permettez-moi, dat vrouwen die het klassieke rollenpatroon willen volgen het misschien net iets makkelijker hebben om daarvoor te kiezen omdat het sociaal nog altijd meer aanvaard is? Of onderschat ik de tegenkanting die thuisblijfmoeders krijgen? Klopt het, zoals Verhaeghe stelt, dat hoogopgeleide ouders die radicaal voorrang geven aan hun ouderschap, vooral op hoongelach onthaald worden?

Kunnen we niet, om te beginnen theoretisch, beide opties voluit steunen zoals in Scandinavië? Langer ouderschapsverlof met daarna meer voltijds werkende vrouwen dan elders? En ondertussen het ene noch het andere verketteren of bombarderen tot het ware vrouw-zijn? Inzien dat tijd voor het gezin belangrijk is, maar werk toch ook wel een beetje? Dat loonarbeid niet per definitie jezelf afbeulen is onder het mom van zelfontplooiing en zelfmanagement? Dat je net door de combinatie van gezin, vrienden, vrije tijd én werk, of het betaald is of niet, jezelf leert kennen? En dat vrouwen niet meer dan mannen gedwongen zouden moeten worden om daartussen te kiezen?

Met dien verstande dat beide groepen moeders eigenlijk luxepaardjes zijn. Beide groepen kunnen zelf die keuzes maken, wat niet geldt voor vrouwen die noodgedwongen job en huishouden combineren, en geld hebben voor cupcakes noch nanny’s. Bieke Purnelle gaf dat zelf ook aan, maar schoof ondertussen Deneckere ideeën in de schoenen die volgens mij de hare niet zijn. Dat tegenstanders van kleuterinternaten (brrr) en nanny’s plots ouderwets, rechts en antifeministisch zouden zijn, was hoegenaamd niet wat Deneckere suggereerde.

Uiteraard weet Deneckere dat niet alle vrouwen topfuncties ambiëren, zich nanny’s kunnen veroorloven, of met hard werk en een goede planning een droomcarrière kunnen uitbouwen. Het ging er haar over dat de vrouwen die het kunnen en willen, die zonnefysica willen zijn of arts zonder grenzen, zich soms toch nog laten afschrikken door waanbeelden, sociale druk en de schrik dat hun kinderen onder hun carrière gaan lijden, niet andersom.

Ik denk trouwens ook niet dat kinderen per definitie liefde of aandacht tekort komen als hun moeder voltijds werkt en ’s avonds nog wat doorschrijft terwijl haar bloedjes in bed liggen, als papa voor het eten zorgt of oma hen van school afhaalt, als ze bij de beste onthaalmoeder ter wereld andere kindjes leren kennen. Net zoals ik ook niet denk dat de maatschappij eronder lijdt als moeders (maar ook vaders) uit de ratrace stappen, het kapitalisme in vraag stellen, vrijwilligerswerk doen, met hun stil verzet aangeven dat topfuncties niet per definitie maatschappelijk de meest relevante jobs zijn.

Ik heb altijd schrik dat het weer de moeders of vrouwen zijn die aan het kortste eind gaan trekken. Geen betaald werk verrichten, geen pensioen opbouwen en plots verlaten worden door je man. Wel betaald werk verrichten en met de neoliberale zonden van Israël overladen worden. Ik vind het frappant dat er net nu er meer vrouwen aan de slag zijn, stemmen opgaan dat onze maatschappij in een ethische crisis zit, al deel ik die analyse wel. Net nu er meer vrouwen in de politiek en het bedrijfsleven zitten, krijgen die sectoren minder aanzien. Net nu er meer vrouwelijk huisartsen en leerkrachten zijn, hebben die beroepen niet meer het prestige van weleer, al weet je natuurlijk niet wat de kip en het ei is.

Uiteraard moeten de zogenaamd vrouwelijke zorgtaken veel sterker gewaardeerd worden, maar tegelijk is niet elke topfunctie of voltijdse job maatschappelijk irrelevant en zijn er ook vrouwen die maatschappelijk relevante topfuncties bekleden. Het zou toch jammer zijn om daar de handen vanaf te trekken en dat enkel aan mannen over te laten? Om de aangeboren/opgedrongen neiging van sommige vrouwen om dat niet te durven ambiëren nog wat meer te stimuleren? Om vaders de zorgtaken (weer) uit handen te nemen?

***

En kunnen we dan meteen, nu we toch bezig zijn, ook stoppen met het feminisme enkel en alleen over te laten aan zelfverklaarde feministen als Badinter en Mees, en het zelf honderdvoudig opeisen, het op jouw voorwaarden toe-eigenen, omdat je er zelf ook wel een paar woordjes over kunt meespreken? Feminisme heeft geen rechters of ultieme waarheden. Als feministen met een andere mening zich als feministe opwerpen en een forum krijgen, werp je dan met jouw mening ook als feministe op, zonder het feminisme als geheel te gaan veroordelen. Een ander feminisme, maar even waar in jouw ogen.

Wellicht is dat voor de media iets te genuanceerd en houden veel journalisten nog meer van verbrande beha’s, sjakossengevechten en powervrouwen die de clichés tarten en de controverse voeden. Er zijn misschien niet evenveel feminismes als er vrouwen zijn, maar er zijn er ongetwijfeld meer dan de media opvoeren als het ware feminisme. Als het enige ware feminisme waar alle vrouwen zich eensgezind achter kunnen scharen bestond, waren we al lang allemaal feminist. Dan hadden we ook onder vrouwen niet langer discussies over quota, moederschapsrust, porno, de wil of onwil om dromen na te streven en talenten te benutten. En dan konden de clichés over kijvende wijven weer de stal in.

Meningsverschillen zijn er bij de vleet, mensen verschillen van elkaar, vrouwen evenzeer (dat toont de Wijvenweek als geen ander), maar als het over carrière, moederschap en feminisme gaat, worden vrouwen meteen als elkaars ergste vijand gezien. Waarom gebeurt dat niet bij mannen die van mening verschillen? Zijn dat ooit plots rollende boksers of kemphanen of speelt hun sekse daar geen rol? Stelt iemand ooit de vraag of een man wel onder een mannelijke baas kan werken? En waarom wordt het socialisme niet verketterd als twee socialisten plots een verschillende visie verkondigen?

Waarom worden verschillende visies op vrouw-zijn en moederschap en de keuzes die vrouwen moeten, kunnen of willen maken zo fel tegen elkaar afgezet, alsof vrouwen nooit overeen gaan komen? Moet er dan gekozen worden? Moet er overeen gekomen worden? Is er een ultieme waarheid die voor alle vrouwen moet gelden? Is het dat biologisch wonder dat vrouwen verdeelt en dat mannen naast zich neer kunnen leggen? Is het dat wat polariseert? Is het of-of, of kan het allebei?

Als je ervan uitgaat dat de argumenten voor onbezoldigd maatschappelijk werk de strijd voor quota verzwakken, dan kun je andere vrouwen met veel bombarie maar beter de mond snoeren. Als je ervan uitgaat dat de strijd tegen de ratrace niet gebaat is bij vrouwen die het glazen plafond ook belangrijk achten, kan je die strategisch ook maar beter een voetje lichten. Maar als je ervan uitgaat dat vrouwen verschillen in hun aspiraties en even veel vrijheid moeten hebben als mannen in dezelfde posities om voor hun keuzes te kunnen gaan, kan je toch maar beter geloven dat de waarheid in het midden ligt?

Dat vind ik in elk geval de beste optie: er zijn misschien gemiddelde verschillen tussen mannen en vrouwen, maar wat ben je individueel met die gemiddelden als je er zelf van afwijkt of van alles wat hebt? Er zijn volgens mij meer verschillen tussen vrouwen onderling, en uiteraard ook tussen mannen onderling. Er zijn vrouwen voor wie het moederschap ontzettend belangrijk is, maar er zijn er ook voor wie een goeie job, of die nu maatschappelijk relevant is of net het kapitalisme dient, van levensbelang is. En er zijn er nog veel meer voor wie het allebei belangrijk is, die niet willen kiezen en die zo goed mogelijk in staat moeten worden gesteld om het allebei te combineren.

Want wat zit niet allemaal tussen die uitersten? Zou het kunnen dat vrouwen die een carrière nastreven ook hun kinderen ontzettend graag zien? Dat zij die job niet alleen uitvoeren uit eigenbelang en uit verlangen naar een tweede hypotheek, suv of flatscreen, maar ook omdat hun man minder verdient, minder hard wil werken of meer zorgtaken wil opnemen? Of omdat zij op hun manier op de maatschappij willen wegen? En dan heb ik het alleen nog maar over witte middenklassevrouwen van een jaar of dertig, want als je andere perspectieven (klasse, leeftijd, etnie) erbij betrekt, krijg je nog veel meer dimensies.

En wat moet ik van mezelf dan denken als er zo gepolariseerd wordt? Dat ik een supervrouw ben? Ik dacht het niet. Ik ben bevallen zonder epidurale, heb borstvoeding gegeven, draagdoeken gebruikt, wasbare luiers, maar ik heb ook nog eens een A1-artikel afgewerkt toen Thelma pas drie weken was en gesolliciteerd toen ze acht weken was … Wat een anomalie moet ik wel niet zijn ...

Ik denk bovendien niet dat Thelma daar één greintje liefde minder om gekregen heeft en ik was er zelf nog blij mee ook. Uiteraard kan je het maatschappelijk belang van een academische carrière, of althans het begin daarvan, in vraag stellen. Maar door onder andere dat artikel zit ik vandaag nog op de plaats waar ik ook het onbetwist relevante onderdeel (namelijk onderwijs) nog kan uitvoeren, sta ik economisch op eigen benen en krijgt mijn dochter ’s avonds een blije mama te zien.

Mijn werk zit voorlopig nog in de fase waarin ik grotendeels zelf mag beslissen wat ik doe, waarin ik ook goed betaald word voor wat ik doe (typisch vrouwelijk om dat niet mee te rekenen in het hele plaatje), waar ik wat engagement in kwijt kan, waarin mijn verantwoordelijkheidsgevoel wordt aangesproken en mijn loyauteit groot is (de mosterd komt van bij Verhaeghe). Ik ga er alles aan proberen te doen om zo'n job te kunnen blijven uitoefenen, ook al moet ik er dan veel voor doen.

Want het hoger onderwijs evolueert ook naar een hyperconcurrentieel systeem waarin enkel productiviteit telt, waarvoor een meetsysteem is ontwikkeld (de befaamde A1's) en ik voornamelijk door kwalitatieve evaluaties word beoordeeld. Als ik wil blijven waar ik nu werk, zou ik me overigens moeten omscholen tot iemand die studenten kan klaarstomen voor het bedrijfsleven, terwijl ik mijn studenten vooral wil wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en onder meer les geef over verborgen racisme, de genderproblematiek, het winstbejag van de media en het oorlogsdiscours in kranten.

***

Ik denk bij man-vrouwkwesties ook spontaan aan de schijnbare schizofrenie van Debora Ostrega, Maaike Neuville en anderen die er in interviews vaak prat op gaan dat ze zich beter amuseren met mannen dan vrouwen, die in de verf zetten dat ze even hard boeren en scheten kunnen laten, een libido hebben van hier tot in Tokyo, mannen onder tafel kunnen drinken en zich daarmee dus afzetten tegen vrouwen als groep.

Zij zijn zogezegd de uitzonderingen die de regel bevestigen dat vrouwen maar brave, gematigde moedertjes zijn. Ik vraag mij af hoe uitzonderlijk zij zijn, hoeveel mannen aan die clichés voldoen en wat dat zegt over de maatschappelijke waardering van clichématige mannelijkheid. Als dat is hoe je graag leeft, hoef je dat toch niet meteen als contrast met het ware, lees: ondergeschikte, vrouw-zijn voor te stellen, of als toonbeeld van de ware mannelijkheid?

Die karikaturen doen beide seksen onrecht aan. Als bron voor humor kunnen ze natuurlijk wel dienen, als je er dan echt iets grappigs mee zou doen. En ja, ik heb het tegen u, gij onnozele radiospot. Maar echt van dat binaire denken afstappen is blijkbaar nog altijd bijzonder moeilijk … De ene groep is zus, de andere zo. Er zijn wel wat uitzonderingen, maar structurele verschillen binnen één groep worden het liefst uitgevlakt en weggeredeneerd om de macht van het getal te laten doorwegen.

En toegegeven (maskers af, of zeg ik dat nu om indruk te maken?), ik heb zelf ook zo’n fase gehad waar ik de stoere toer opging om mijzelf zo’n beetje te bewijzen. Mannenpraat en vuile lollen verkopen, vlotjes leren parkeren, voorlopig motorrijbewijs behalen, volleyballen in een mannenploeg, badkamerwandje tegelen, de positie van AA Gent nauwgezet volgen, gyprocplafondje steken, pokeren, als eerste het koude water induiken, beamer feilloos in gang steken, zware dingen tillen, rood vlees eten, enzovoort. Alleen snel rijden heb ik altijd al immoreel gevonden. En roken vond ik net iets te evident als attribuut om indruk te maken of de stoere uit te hangen.

Ik wou de clichés ontkennen (schoenen, shoppen, chocolade, chicklit, romcoms) door andere clichés net te benadrukken, maar daarmee ga je natuurlijk voorbij aan de onderliggende waarheden die ons (m/v/i) in meer of mindere mate binden. Mijn visie nu is dat er plaats en appreciatie moet zijn voor een welverdiende mix van clichés, voor alle waarden achter de clichés, en bovendien nog los van de sekse die ze belichaamt. Dat zaken zoals ambitie, begrip, arbeid, humor en zorg ook op en top vrouwelijk of intrinsiek mannelijk kunnen zijn, geen voorrecht van vrouwen en ook geen dwangbuis voor mannen. En vice versa. Maar dat wist u natuurlijk al.

Idem voor meisjes die met auto’s spelen, moddergevechten houden, boomhutten maken: moeten zij meteen als halve jongens of ‘tomboys’ bestempeld worden, in plaats van gewoon rechtgeaarde meisjes te kunnen zijn? Het is ook écht eigen aan échte meisjes (maar misschien niet alle meisjes) om zulke dingen fijn te vinden, net zoals het ook echt eigen is aan meisjes en aan echte jongens om met poppen te spelen, of in een Ikeakeukentje koekjes te bakken. Zijn die jongens dan meteen ook minder echt? Verwijfd, te zacht voor deze wereld?

Nergens goed voor, als je ’t mij vraagt, dat hokjesdenken en die polarisering. ‘Feministen' zijn zus, 'echte vrouwen' zo, 'echte mannen' doen dit, de rest zijn watjes. Of daar moeten dringend nieuwe hokjes voor verzonnen worden: de ‘nieuwe man’, de ‘metroseksueel’, of laatst in De Standaard: ‘de nieuwe man is gewoon heel gewoon’. Stop eens met dat ‘echt’ en ‘onecht’, omarm de verschillen, aanbid de inconsequenties, laat mensen afwijken en evolueren, zo goed mogelijk hun wensen en noden ontdekken en probeer daar dan maatschappelijk en politiek de nodige ruimte voor te creëren. Dat denk ik zo. Maar ik kan mis zijn.

dinsdag 13 maart 2012

Guilty pleasures en kleine kantjes

Bon. Dingen die ik alleen tegen vriendinnen vertel, heb ik niet. Ik heb geen dingen die ik tegen vriendinnen vertel en niet tegen mijn vrienden: eerlijk is eerlijk. Misschien wel dingen die ik tegen niemand vertel, dat wel, maar die zijn niet zo bloggable, behalve vandaag. Hm. Even denken ... Meeleven met ‘Steracteur Sterartiest’ of ‘Idool’? Potje huilen bij ‘Mijn bevalling’? Kortstondige ‘Thuis’-verslaving? Meekwelen met Arid of Birdy en dan tranen in je ogen krijgen omdat je je mond te wijd opent? Niets van! Geheel onmogelijk, zeg ik u!

En guilty pleasures op eetvlak? Hmm, valt echt mee. Ik snoep niet buitensporig veel, kan chips weerstaan als ik mijzelf eventjes bezig zie, en ik krijg tandpijn van chocolade ook al heb ik geen gaatjes, dat helpt. IJsjes, altijd, maar als ik er te veel aan denk, verdwijnt de goesting. En als de goesting blijft, eet ik een ijsje zonder mij daar schuldig over te voelen. Of chocolade, of chips, of suikerwafels. Maar mij door een heel pak of een halve taart heenvreten is mij nog nooit overkomen. Aperitiefkes op terras, pintjes op café: een zaligheid. Ik pleit geheel schuldig, maar aanzie dat niet voor een zonde.

En kleine kantjes? Ik roddel niet graag, en hoef daarmee al zeker geen onzekerheden te maskeren. Mensen punten geven vanop een terrasje? Ik mag er niet aan denken. Ik ben niet jaloers of nieuwsgierig, heb niet al te veel aandacht nodig en al zeker niet uitsluitend van mijn lief. Ik kom dwangmatig mijn beloftes na, erger mij niet al te snel, bedek veel met de mantel der liefde, kan mijn ongelijk zonder problemen toegeven als ik ongelijk heb en ik de gelijkhebber in kwestie graag zie. Bóóóring!

Maar er is nog meer! Ik voel mij niet zondig als ik mezelf eens verwen of het huishouden verwaarloos. Ik verveel mij gauw met romantische komedies en de Flair, en ik ben al helemaal niet geïnteresseerd in prinsessen en royalties, al had dat ook anders gekund. Ik huil niet vaak, als je vochtige ogen bij tal van ontegensprekelijk diepemotionele taferelen niet meetelt en het rechtgeaarde verdriet evenmin, en ik ben haast van niets bang. En ik denk bovendien niet te veel slechts over andere vrouwen en zaag niet tegen mijn lief over pietluttigheden. Ah, maar wacht eens, de stoefpost was pas zaterdag, nee?

Oké dan: ik kan niet zo goed tegen gibbertrienen, hersenloze praat, volwassen vrouwen die zich als pubers gedragen, collega’s die mij iets vragen wat ze zelf beter weten, misplaatste arrogantie, macho’s die zichzelf te serieus nemen. Ik heb het moeilijk om sociaal, voornaam en welopgevoed te zijn tegen mensen die ik niet al te fijn vind, en vraag me soms af wat ik met te veel vriendelijkheid aanmoet. Ik ontmoet gelukkig veel fijne mensen en de anderen krijgen het voordeel van de twijfel, maar als ik eenmaal mijn oordeel heb, kan ik het moeilijk verstoppen.

Maar of je dat nu kleine kantjes kunt noemen? Ik ben daar eigenlijk nogal redelijk trots op. Ergernis is mij trouwens in het geheel niet vreemd: ik erger mij aan rochels, geclaxonneer, sluikstorten, chauffeurs die zich opwinden om niets, maar probeer die ergernis niet de overhand te laten nemen. En ik durf soms wel eens halflachend mijn dochtertje gade te slaan als ze onredelijk kwaad is om een prul. Maar sadistisch wordt dat uiteraard nooit.

En ik moet toegeven, nu we toch bezig zijn: tegen mijn moeder ben ik niet altijd even lief, en het meest nog op momenten dat ik eigenlijk blij zou moeten zijn met haar hulp. Als ze mij eens uit de nood helpt in huis, bijvoorbeeld, omdat die hulp me met mijn eigen nalatigheid of prioriteiten confronteert, of als ze mee gaat shoppen (doen we niet meer), omdat ik dan met mijn besluiteloosheid en perfectionisme word geconfronteerd. Ik kon vroeger trouwens kribbig, hyperongeduldig en hoogst onverdraagzaam worden als ik honger had, maar vreemd genoeg is dat vanzelf weggegaan. Ouder worden, moeder worden? Ik word soms fysiek nog wel wat slapjes bij zo'n suikerval, maar mentaal heeft het geen desastreuze invloed meer.

Ik heb tot slot, zoals veel vrouwen blijkbaar, iets met to-do-lijstjes, lijstjes om valiezen te pakken of de babysit te briefen (en daardoor mijn verstrooid- en vergeetachtigheid te lijf te gaan), maar als ik dat briefje dan toch eens aan de kant leg, loopt het gegarandeerd mis, wat al meermaals bewezen is. Mijn lief zwiert namelijk het liefst alles meteen in de auto zonder mijn lijstje af te vinken, zodat ik niet kan zien of we de babyfoon, handdoeken, al mijn schoenen, of de onderlakens, hoeslakens en kussenslopen wel degelijk niet hebben achtergelaten. De lijst is niet toevallig!

***

En ik heb ook nog een geheel ander pakket met kleine kantjes, maar die doos laat ik liever zo lang mogelijk gesloten. Luistert en aanschouwt. Ik zal eens iets openbaren in het kader van ‘Te Gek!?’ en het taboe op psychische flippartijen. Ik heb namelijk een interne saboteur. Owla, even wachten, ik zie meteen in gedachten Standaardredacteur Tom Heremans opduiken, op zoek naar sappige verhalen om vrouwen nog eens in hun blootje te zetten.

Lees gerust verder, zou ik zeggen, maar lees net dat ietsje meer voor u stopt bij de clichés, beste Tom. Monster de diversiteit op een en dezelfde blog, aanschouw de verschillen tussen vrouwen onderling (morgen meer daarover), eigen u de humor en ironie niet schaamteloos toe, lees ook de schaarse mannenblogs in deze wijvenweek. Wees een beetje eerlijk met al die eerlijkheid. Dank u.

Soit, we kunnen voort met de hoogdravende bekentenissen over mijn persoonlijke interne saboteur. Let wel: hij komt maar af en toe opduiken. En ook: het is al lang geleden. Ik ben ondertussen de meeste van mijn neuroses kwijt, heb mijn hinderlijke perfectionisme tot aanvaardbare proporties herleid, kan daardoor de ergste ellende maar vooral de energievretende details relativeren, en neem de kwalijke overblijfselen er met veel liefde bij.

Soms blijft het bij elke pagina van de krant willen omslaan als ik ergens op tijd moet zijn, om middernacht nog een blogbericht schrijven als ik eigenlijk al een hele week moet bijslapen, dwaze details die er niet toe doen op het laatste moment veranderen, zoeken tot ik iets vind wat ik eigenlijk niet nodig heb, een broodbakmachine voor het eerst in gang steken na middernacht, mijn trui verzuimen aan te doen als ik te koud heb, niet naar toilet gaan als ik moet, of beter nog: voor ik de deur uit ga, eten opscheppen als ik eigenlijk genoeg heb en dat dan nog opeten ook, aan alle shampoo’s in de supermarkt wel iets fouts vinden, geen Dafalgan nemen als ik met een gigantische kater zit …

Maar het neemt veel gedaantes aan, hoewel ik ‘m steeds beter de baas kan. Het gaat ook om deadlines uitdagen: een derde van het werk doen in de eerste helft van de tijd, zodat er nog maar één helft overblijft voor de laatste twee derden. Uitstelgedrag dus. Een boek uitlezen dat je niet interesseert. Vakliteratuur heel grondig lezen terwijl je niet weet of je het artikel ooit zult gebruiken.

De kabel van de beamer te hard vastdraaien in je laptop, zodat je nog een kwartier in het leslokaal moet nablijven om die kleine prutsvijsjes zonder schroevendraaier weer los te krijgen. En dingen alleen doen waarvoor je eigenlijk met z’n tweeën moet zijn, zoals een tv in een kast schuiven waarvan je ondertussen een plank naar boven moet duwen omdat de tv er eigenlijk niet inpast.

En soms neemt die saboteur geheel de overhand. Dat is mij al een paar keer overkomen, maar gelukkig ligt die periode al een hele tijd achter mij. Dan gaf iets in mij heel stellig en samenzweerderig aan dat mijn zintuigen niet te vertrouwen zijn, dat ik dingen hoor op de radio die zo van de pot gerukt zijn dat ik mijn oren niet mag geloven, dat ik dingen lees in de krant die te gek voor woorden zijn en er niet meer zullen staan als ik mijn zinnen terug heb.

Of dat ik in de douche de temperatuur van het water niet kan inschatten. Ik vreesde dan ook werkelijk dat het water kouder zou worden als ik aan de warme kraan zou draaien. Om dan bij de praktijktest ook niet meer kunnen beoordelen of het nu zo was of niet. Brrr. Ik geloofde in die periodes ook vaak niet wat mensen me zegden. Dacht dat ik dingen hoorde die hoegenaamd niet konden kloppen als er maar een beetje gezond verstand aan te pas kwam. Wat natuurlijk geheel contradictorisch was. Ah ja.

Ik heb zoiets telkens meegemaakt in periodes van grote stress: toen ik terugkwam van Erasmus en flipte op de keuzevakken, toen ik te veel papers moest schrijven in mijn postgraduaat, en toen ik na jaren opzoekwerk moest beginnen te schrijven aan mijn doctoraat en dacht dat ik niets interessants verzameld had. Lost, verloren, zeker omdat het intellectueel werk is wat je moet doen. Ik moet je allicht niet vertellen dat het behoorlijk angstaanjagend is dat je je eigen oordeel en zintuiglijke indrukken niet meer gelooft, dat je details niet meer van hoofdzaken kunt onderscheiden. Alles komt op je af en je zet als een ware drama queen jezelf klem omdat je geen prioriteiten kunt bepalen. Zoals de blokjes in Tetris die aan het eind steeds sneller vallen tot het game over is.

Sindsdien herken ik het gevoel wanneer het opkomt en ben ik er zo mee vertrouwd dat het mij geen angst meer aanjaagt. Ik weet dat het weer weggaat als ik doe alsof er niets aan de hand is, gewoon de orde van de dag volg en genoeg slaap. Het begint altijd ’s ochtends met onverklaarbare zenuwen en ik die mezelf vanuit het perspectief van een buitenstaander lijk gade te slaan. Ik probeer dan geen acht te slaan op mijn gewaarwordingen en geen belang te hechten aan wat ik allemaal aan uitzonderlijks opmerk.

Maar sinds de laatste periode uit 2004 heeft het zich nooit meer tot na de middag voortgezet. Dat was daarvoor wel even anders. Een week tot tien dagen kon het duren en het bracht een groot onbehagen, stress en uiteraard ook benauwdheid met zich mee. Ik begon dan ook alles van vroeger in twijfel te trekken. Wist 100% zeker dat mijn scriptie toch niet zo goed was, dat ik mij door vriendschappen had laten bedotten, dat ik hoegenaamd geen talenten had, dat ik maar wat aanmodderde, dat ik mensen feilloos had bedot en zij mij daarin gedwee hadden gevolgd.

Een tijdelijke depressie dus en lichte paranoia. Mijn moeder dacht dat er zich traag maar zeker een psychose ontwikkelde en nam dan tijdelijk mijn leven in handen door mij een lijst met taken te laten afwerken in de door haar opgedragen volgorde (schildpad in winterverblijf steken, tandarts bellen, groepstaak afwerken, boeken naar de bib brengen ...). Mijn vader toonde evenveel begrip, maar weet het aan een vorm van bewustzijnsvernauwing. Grappig genoeg de kwaal waarmee negentiende-eeuwse vrouwen om hun oren werden geslagen …

Ondertussen heb ik ook de minder kwalijke trucs van mijn interne saboteur al goed doorgrond en laat ik me steeds minder vangen. Ik heb namelijk de ultieme strategie gevonden: ik probeer de hele zaak op de spits te drijven, mijn défauts in sterktes om te zetten en … mijn interne saboteur te saboteren! Ha! Als dat niet het toppunt van neurose is … En ondertussen denk ik er zelfs niet meer na bij die tweevoudige pootje-lap, maar ben ik spontaan mijn betere zelf geworden. Meestal dan toch.

Dat wil zeggen: bij belangrijke afspraken een bus en een trein vroeger vertrekken om onmogelijk te laat te kunnen zijn, alvast heel even aan een taak beginnen om daarna weer te stoppen (wetende dat ik er toch aan voortdoe als ik eenmaal begonnen ben), een onnodige activiteit in het midden van de actie prompt onderbreken (omdat ik weet dat ik de draad later niet meer ga opnemen).

Of op automatische piloot de tafel afruimen als ik mezelf dreig te overeten, in het geheel geen goede voornemens maken, mezelf geen dieet opleggen (verboden vrucht, weetjewel), maar alles toelaten en voortdurend aan verbodsmiddelen denken, zodat de zin erin verdwijnt. Zo slim ben ik ondertussen wel, al lukt zo'n dubbele houdgreep uiteraard niet altijd.

En met een kind weet ik ondertussen dat ik een deadline voor een deadline moet inbouwen, want dat het niet enkel meer van mij afhangt. Lijkt te lukken voor echt belangrijke deadlines, de andere hoor ik nog graag eens voorbij zoeven. Alleen incalculeren dat dochterlief ’s nachts ook wel eens kan wakker worden als ik er lichtjes doorzit en dan vroeg genoeg gaan slapen, lukt nog niet. Maar ja, wie zei er dat perfectie de norm moet worden? Ik alvast niet.

Bovendien haal ik er mijn empathie uit voor verstokte procrastineerders en depressieven, mijn zelfrelativering, een motto zoals ‘moeilijk gaat ook’, en een groot doorzettingsvermogen. Ik geef haast nooit iets op omdat het te moeilijk lijkt. Ik heb er dus ook veel aan te danken: ik heb klussen aangepakt die mij niet haalbaar leken, maar die ik uiteindelijk toch maar geklaard heb. Ik kan ondertussen veel aan, zolang ik ervoor waak dat ik de balans een beetje in het oog houd.

En ging u dan nu in de commentaren zeggen dat u dat allemaal herkent en ik daar maar niet te veel mee moet inzitten?

maandag 12 maart 2012

Beautyqueen in het diepst van mijn gedachten

Bijna tien jaar geleden, na een feestje in het huis dat ik toen deelde met vrienden, lag ik net in bed met mijn toenmalig lief, toen ’s ochtends rond een uur of tien een van zijn beste vriendinnen, binnengelaten door mijn huisgenoten, er lekker gezellig bij kroop. En wat zei ze om mijn lichte verbazing om zoveel onverwachte intimiteit te smoren? ‘Amai, gij ziet er zelfs ’s ochtends kweet-nie-oe knap uit!’ Was dat even een boost voor mijn ochtendlijke zelfvertrouwen ...

Maar wat ze niet wist, of niet in rekening bracht, was het simpele feit dat ik me niet ontschminkt had voor ik in bed dook, dat mijn gezicht nog niet de kans had gekregen om uit de plooi te vallen na zoveel plezier, dat mijn eyeliner en mascara ook netjes waren blijven zitten waar ze thuishoorden. Dat ik dolverliefd was en daardoor straalde, wist ze, dat ik tien jaar jonger was, vertel ik er nu bij, dat het gewoon toeval was, kan natuurlijk ook. Of waren het mijn sociale sensoren die onbewust werken voor nieuw publiek?

Feit is natuurlijk dat ik er ’s ochtends, maar ook ’s avonds, ’s middags, ’s nachts, afhankelijk van veel factoren, in willekeurige volgorde moe, gestresseerd, bleek, seutig of saai kan uitzien. En daar doe ik over het algemeen niets aan. Mezelf en mijn haar wassen uiteraard wel, maar daar dacht ik in eerste instantie zelfs niet aan. Oorbellen, ketting, horloge en ringen behoren ook tot mijn standaarduitrusting. Maar het blijft bij louter hardware: potjes, flesjes en tubes laat ik dicht, tenzij er een staaltje dagcrème met UV-filter rondslingert.

Vroeger had ik van Clinique eens een goeie oogschaduwstick als staaltje gekregen en dat leek altijd wonderen te doen als ik 's avonds thuiskwam en er toch wat monterder wou uitzien. Maar om een of andere reden verkochten ze die ‘smudgesicle’, zo heet dat echt, alleen in Amerika of Antarctica, en de zin om een nieuwe te gaan scoren woog niet op tegen het levensgrote belang ervan. Andere potjes lijken mijn vel meer kwaad te doen dan goed.

Ook vroeger, tijdens mijn studentenjob in een Gents café, kwam ik na vijven niet buiten zonder zo’n fifties eyelinerlijntje en wat mascara. Ik was daar zeer bedreven in en werd alleen maar beter door dat dagelijks te doen. En als ik dat eens niet aanhad ‘s avonds, wezen mijn liefste homocollega’s daar meteen bij binnenkomst op.

Ik droeg ook bijna altijd nagellak. Ik heb sterke nagels en kon die ook haast feilloos lakken, wat ik een voldoende reden vond om dat ook halfwekelijks te doen. Ik had natuurlijk ook geen kind dat net zou dreigen te vallen als mijn nagels aan het drogen waren of een gigantische snottebel zou niezen. Wat had er mij in godsnaam kunnen tegenhouden?

Maar na die fase vond ik plots dat ik niet (zoals mijn moeder) enkel geschminkt de deur uit wou kunnen, dat ik niet wou schrikken als de bel zou gaan voor ik ‘toonbaar’ was, dat ik niet wou horen dat ik er moe uitzag, enkel en alleen omdat ik geen make-up droeg die dag. En dus is het nu al een hele tijd de ‘look naturel’ overdag.

En zelfs ’s avonds, als ik vind dat het allemaal nog best te pruimen valt, is het de laatste tijd vaak zonder versiersels, tenzij ik mijn wenkbrauwen een beetje prononceer, wat bruine mascara opstrijk, een streepje kohl in mijn ooghoeken toevoeg. Subtiliteiten, meer niet. Ik schrik zelfs als ik me voor de gein toch weer eens zo’n lijntje aanmeet.

Het gaat dus een beetje van weg en weer, van veel tijd of geen goesting en beslissingen van het moment. Ik vond trouwens heel lang dat ik er elke keer anders uitzag als ik in de spiegel keek, dat ik er hoegenaamd geen staat op kon maken hoe ik telkens voor de dag kwam (de foto geeft een idee). De spiegel was altijd schrikken, gelukkig zowel in goede als in slechte zin. Komt ook door mijn krullen, die liefst hun eigen zin doen, al heb ik na het einde van de borstvoeding geen bad hair days meer gehad -- althans niet in vooraanzicht.

Voor en na's, zomer- en winterlooks, builen, blutsen en bevallingen bij 33°, KWay's en smokey eyes, flits en schemering, maar meestal naturel.



Er zitten uitersten in mij, waar ik heel graag tussen schipper. Ik doe niets liever dan in de kleren van de vorige dag springen, zonder te checken of ze nog onbevlekt zijn of lekker ruiken. Ik hou van de gedragenheid, het losse, het vertrouwde, niet hoeven te kiezen. Ook vroeger, toen er nog overal gerookt werd, ook al ben ik zelf een niet-roker. Ik hou ervan om op weekend in dezelfde jeans te kruipen die al stijf staat van de modder, met een versleten T-shirt of oude gilet.

En tegelijk heb ik mij ook een kleuranalyse laten aanpraten, kan ik ervan genieten om de tijd te nemen om in het schoonste kleedje uit mijn kast te glijden, de gepaste botten uit te kiezen, ketting, ring, oorbellen aan te meten en te genieten van de blikken. Nooit bling-bling of wegwaaistofjes, meestal vintage of tweedehands of look-alikes genre WTG, Betty Page, King Louie, daarin telkens ook aangemoedigd door mijn oude en nieuwe lieven en hun complimenten, ik geef het toe.

Het heeft trouwens lang geduurd voor ik een eigen stijl had gevonden. Ik zat op een uniformschool, dus in de week was dat ten node doordeweeks gekleed gaan, op zaterdag ging ik naar de jeugdbeweging, dus dat was verplicht jeans met hemd, en enkel met de zondagskleren een garderobe opbouwen en miskopen vermijden was hoegenaamd niet simpel. Ik keek altijd stiekem op naar extravagant geklede passanten, maar het was sparen en wachten en maar af en toe iets kunnen kiezen dat uit de band sprong. Of dat soms ook gewoon in de kast te laten hangen omdat het te gewaagd bleek. Heel vreemd dat ik net daar geen foto’s meer van heb!

Mijn moeder wou altijd dat ik me wat vrouwelijker zou kleden toen ik aan het puberen was, want ik was jong en die glansrol zou voorbij zijn voor ik het wist. Maar het was nu eenmaal de tijd van stretch jeans, combats en wijde T-shirts. Rokjes waren voor seuten. En welke° schoenen droeg je daar in hemelsnaam onder? Ik was trouwens ook van mening dat ik met mijn brede schouders alleen lompe schoenen kon dragen om alles een beetje in evenwicht te houden. Het idee alleen al.

Pas na het adieu aan mijn uniform, de jeugdbeweging, de intrede op de unief, de bijverdienste en de lieven met hun complimenten en voorkeuren heb ik gaandeweg gevonden wat me stond, wat ik fijn vond, wat stoer was en toch vrouwelijk. En nu gaat de kooplust met fases: meestal vermijd ik angstvallig de winkelstraten en pashokjes en koop ik enkel in de solden zonder enige remming een hele voorraad aan. Daarna heb ik dan nog wéken zin om die verzameling uit te breiden, omdat de oude bekende kleren verbleken bij al dat nieuws. Dan bekruipt mij zelfs even de zin om als fashionista door het leven te gaan …

Maar zodra ik denk aan de bergen geld en tijd die daarin kruipen, de oppervlakkigheid van de strijd om ‘in’ te zijn, de standaardmaten die je daarvoor nodig hebt, de gigantische berg overbodige spullen die iedereen naar zijn hol sleept, het loon van de vrouwen die al die spullen maken, en de energie die ik liever voor belangrijke dingen voorbehoud, is die zin in een mum van tijd bedwongen en doe ik voort met de beproefde stuks.

zaterdag 3 maart 2012

Thelmataal (6): Oordjes & ieuwigheden

Sommige kindjes laten de laatste letters weg als ze nieuwe woorden leren, anderen laten de eerste letters weg. Thelma behoort tot de laatsten. Je krijgt dan het opmerkelijke 'oere!', 'oere!' als ze in de soep aan het roeren is. Aap wordt 'aapje', maar schaap wordt ook 'aapje'. Soep wordt 'oep', maar snoepje wordt 'oepje'. Een snor is 'nor', ster is 'ter', schoenen zijn 'oene', sloffen zijn 'offe', tong is 'ong', en schuim is 'uim'.

Inkorten is soms nog ingrijpender. Lieveheersbeestje wordt het economische 'eesje'. Boem-tsjakkalakkalakkalakka-boemboem, als we meezingen met de radio, wordt 'tsja-tsja-boeboem'. Een parking vol met auto's is 'parkauto'. Nog een beetje is 'kebeetje', en een boek dat gevallen is, wordt 'boek evajje'. Ze zegt nu trouwens ook drie-woord-zinnen zoals 'ook-e-beer-evajje' of 'nie-poepe-washe'. En dat terwijl ze volgens de statistieken pas zes woorden hoeft te zeggen.

Soms haalt ze ook de middelste letter uit het woord en plakt ze die vooraan. Een boterham in de soep doppen wordt 'poppen', stampen met de voeten wordt 'pappen'. Het doekje waarmee ze slaapt wordt 'koekje', wat voor veel verwarring zorgt als het bedtijd is. Beginletters zijn ook vaak nadrukkelijk fout: nog is nog steeds 'kog', zo is 'to', fles blijft 'wesh' en vlees 'weesh', muziek is 'piek'. 't Gaat hier nogal vooruit met die taal: binnenkort rondt ze de kaap van 100 woorden, schat ik.

Andere toppers de laatste tijd zijn: 'wiki' voor kiwi, 'wiessie' voor televisie, 'töre' voor toren, 'pushje' voor puzzel, 'eepje' voor lepeltje, 'waaw' voor sjaal', 'pòpòh' als Bernard iets doet wat haar niet zint. 'Ope-dit' is open en dicht. En weet je wat? Ze spreekt voortdurend met twee woorden en zegt dus stellig: 'nee mama' of 'mama nee', 'nee papa' en 'kom mama'. En wat zegt ze helemaal juist? 'Peukje', 'boekentas', 'hatsjie' en 'kikker'.

Uitgebreider ontboezemingen bewaar ik voor de wijvenweek, waar ik voor één week eens over mezelf ga bloggen zonder obligate link met Thelma. Maskers af, maar niet de billen bloot.

zaterdag 25 februari 2012

't Is een wijfje!


Welkom Wijvenweek'ers!
'Het is een vrouwtje!', zo kondigde prins Filip zijn eerstgeborene destijds aan. Wel, bij mij is het een wijfje, mijn Olijfje. En omdat ik meedoe aan de Wijvenweek, wil ik even mijn kleine bedenking geven bij het woord 'wijf'. Ik weet dat er destijds een hele discussie over gevoerd is, met felle voor- en tegenstanders en wil dat hier niet dunnetjes overdoen, zeker niet omdat je dan meteen weer een open doel creëert om de 'catfights' en 'sjakossengevechten' weer van stal te halen, en die clichés lezen we al genoeg.

Ik hou wel van geuzennamen en vind 'wijf' dus eigenlijk tof, zolang het een geuzennaam blijft tenminste. Dat wil zeggen: zolang je het gebruikt met de nodige ironie (en liefde, dat vooral!) en weet dat het een kritiek is op het denigrerende 'wijf' van vroeger. Je eigent je het woord toe en maakt het daardoor onschadelijk. Dat wil dus ook zeggen: niet zoals het heerschap dat zaterdag bij ons over de vloer kwam en over een fijne kennis sprak als was het 'een bitch van een wijf', zonder ironie of greintje liefde dus -- en zonder dat hij wist dat ik haar kende ...

En ook niet gewoon als een doordeweeks alternatief voor 'vrouw', omdat je je onwennig voelt bij die term of denkt dat het alleen maar op seuten wijst, zoals Tom Naegels al eens treffend verwoordde in De Standaard toen het over 'straffe madammen' ging:
Als er nu nog iemand het woord 'madammen' gebruikt, dan sleep ik hem voor de rechter voor tergend en roekeloos gebruik van debiele synoniemen. Wat is er mis met vrouwen, dat ze nooit gewoon zo genoemd kunnen worden? Er moet altijd iets bij, om ons gerust te stellen: het zijn niet zòmaar vrouwen hoor, nee-hee, het zijn stoute vrouwen, sterke vrouwen, straffe grieten, grrrrrls, madammen. De term is ondertussen zo uitgehold dat hij zelfs kan verwijzen naar een programma met Anja Daems op Radio 2. Ik vind die stoere-synoniemen-drang denigrerend. Lezen we over Jef Geeraerts dat hij een 'stoute man' is? Het heeft iets geweldig in-tegenstelling-tots: in tegenstelling tot de overgrote meerderheid van suffe, saaie, slappe, brave kwezels, krijgt u hier een straffe madam. Waarmee bedoeld wordt: een vrouw die werk heeft, een vrouw die porno schrijft, een vrouw die kan koken met pastinaak.
Voilà. Ik kon het niet beter hebben gezegd, al vind ik koken met pastinaak zeker in deze Dagen Zonder Vlees nu ook weer niet zo straf. En bij nader inzien: porno schrijven en werk hebben ook niet. En ik wil 'wijf' noch 'madam' naar de eeuwigheid verbannen, want zoveel goeie alternatieven zijn er nu ook niet. Alvast niet 'dame' of 'juffrouw' ...

Maar soit, er is dus veelwijverij op komst, hoera. En als de lichte ironie van de uitnodiging een voorafspiegeling is van wat komt, zullen we alleen maar gniffelend in ons vuistje lachen:
Dames en aanverwanten!

In de vooravond, net voor wij het eten voor ons gezin op tafel moesten zetten en nadat we het stof in de living hadden afgenomen, is http://wijvenweek.be/ online gegaan, met een eerste hap informatie over de wijvenweek 2012. Hoera!

Deze keer is er een thema, zo zult u zien, en de dagthema's komen heel binnenkort ook online. We zijn daar mee bezig, maar ik moest eerst dringend onder de zonnebank en lilith wilde per se ook haar nagels laten manicuren. Prioriteiten, ge kent dat wel.
Enfin. Op de site vinden jullie een linkje naar een formulier, waar je kunt opgeven of en hoe je vermeld wilt worden op de site. Doen!

Voor de rest: lees het, en zeg het voort! En begin misschien al eens te denken over wat ge gaat aandoen.

zondag 19 februari 2012

Thelmataal (5): Dierengeluiden

Vanmorgen aan tafel een klassieker:
  • Wat zegt de koe? Beu!
  • Wat zegt het schaap? Mè!
  • Wat zegt het hondje? Ouf!
  • Wat zegt een eend? Kwak!
  • Wat zegt de vis? (doet een vis na)
  • Wat zegt een olifant? Proe! (iets wat lijkt op trompetteren)
  • Wat zegt een leeuw? Waw!
  • Wat zegt het konijn? (doet een konijn na)
  • Wat zegt de slang? Ssss!
  • Wat zegt de uil? Oe-oe!
  • Wat zegt de kikker? Kwak!
En ik dacht: ik zal ze eens liggen hebben met een vraag die haar petje te boven gaat:
  • Wat zegt mama? ... Papa!
Tot daar dus de visie van mijn dochter op mijn mentale tijdsbesteding en verbale expressie. En om nog even terug te komen op mijn vorige post: ik heb geprobeerd mijn eigenste twijfel en angst te verwoorden, maar het klonk onderhuids misschien als 'waar een wil is, is een weg'. Ik ben erover blijven nadenken, en ik wil nu ook niet als een Louise Hay door het leven gaan.

Vandaar dat een quote van een vriendin op facebook blijft hangen in mijn voluntaristische geest, een geest die tegelijk ver weg wil blijven van new age, 'willen is kunnen', het neoliberale gedachtegoed. Een selectie uit haar stelling, waar ik de voorgeschiedenis niet van ken:

De antwoorden die Louise Hay geeft, zijn te simplistisch, te new age, te veel mind over matter, en in die zin te neoliberaal. In wezen zijn ze niet anders dan de American Dream: als je wil, kan je alles bereiken, als je maar positief genoeg denkt (dankbaar bent, vergeeft, whatever).

Ons westers denken scheidt lichaam en geest. Onze maatschappij geeft de voorkeur aan de materie, new age draait het net om, geeft de voorkeur aan de geest ('positief denken zal je genezen'). Beide blijven in gebreke als je dag in dag uit probeert te leven met die dualiteit(en).

Heel veel problemen ontstaan omdat we stukken van onszelf veroordelen, weg willen. Het antwoord is ze te verwelkomen, te integreren, te luisteren naar wat ze te zeggen hebben. Niet er nog eens een schep bovenop doen.

Ik staak dus even het filosofisch gepieker en hou het dus voorlopig maar bij de volgende geniale wijsheid: 'Wat zegt mama?' 'Papa!'.

zondag 12 februari 2012

Uitersten

't Zijn rare tijden. Verwarrend, paradoxaal. Toch het fin de siècle en onze nieuwe, neoliberale identiteit? Ik zou het haast denken ... Ik heb vrijdag van drie mensen gehoord dat hun relatie verbroken is. Twee collega's met oudere kinderen, één koppel goeie vrienden van mijn leeftijd met een kleintje van drie. In de vorige maanden zijn ook al drie jonge koppels met kinderen tussen twee en zeven jaar uit elkaar gegaan. Onder hen twee mannen die met een collega in zee zijn gegaan, één vriendin die met een collega verdergaat.

Tegelijk word ik op facebook overladen met kersverse foto's en euforie van dichte en verre vrienden die dolgelukkig zijn met hun eerstgeborenen en daarvoor overspoeld worden met welgemeende, overenthousiaste felicitaties. En zie ik vrienden van vroeger reikhalzend uitkijken om hun eerste kleintje in hun handen te houden, naast vriendinnen die net hun derde kindje hebben gekregen of wachten op hun derde bevalling. Behoorlijk verwarrend vind ik dat. Daadkracht tegenover naïviteit, foute keuzes versus soulmates, zoekers tegenover vinders? Of gewoon een kwestie van tijd, vraagt de cynica in mij zich af.

Voor ik zelf een kind had, vond ik het compleet onbegrijpelijk dat een relatie zo snel na een geboorte - want dat is één, twee, drie jaar toch - op de klippen kon lopen. Van de beslissing om samen een kind op de wereld te zetten naar de beslissing om datzelfde kind apart te gaan opvoeden. Ondertussen weet ik dat het allemaal niet zo eenvoudig is, dat een kind een relatie sterk beïnvloedt, karaktertrekken uitvergroot, verschillen aan het licht brengt, het leven verhevigt, vertraagt, en minder ongedwongen maakt. Dat vechten soms niet volstaat of gewoon niet meer lukt, dat de aantrekkingskracht verdwenen kan zijn, en dat er eindeloos veel dingen bij komen kijken. Dat je met twee moet zijn om het te doen slagen. En dat geldt natuurlijk ook als er geen kinderen zijn.

Het blijft toch altijd schrikken. Ik probeer het niet te veroordelen, want zo'n beslissing neem je, meestal dan toch, niet lichtzinnig. Maar ik vraag me af hoelang je allebei, met een kind voor ogen, moet proberen om de relatie weer op de sporen te krijgen, een tijd wat minder aan jezelf en je eigen genot te denken of voluit voor de ander te gaan. Hoelang je ervan uit kunt gaan dat het gevoel van vroeger ergens op gestoeld was of de hoop mag koesteren dat het nog kan terugkomen ... Hoezeer je het besef laat doorwegen dat een nieuw begin met iemand anders het totale geluk niet altijd vergroot, zeker als het nieuwe er na een tijdje weer af is.

Ik ken de cijfers en gevolgen van een scheiding voor kinderen en ik beschouw dat als hun eerste trauma. Ik weet dat een slechte relatie ook traumatisch is voor kinderen, en ik weet ook dat het niet altijd negatieve gevolgen heeft als ouders op een rustige manier met veel gesprekken uit elkaar gaan. Dat het leven geen Valentijn is en je dat ook niet moet voorhouden aan je kinderen. Ik vind ook dat je niet moet samenblijven om de kinderen alleen, dat je jezelf niet moet wegcijferen voor een kind, maar ik blijf het toch altijd verdomd jammer vinden als er een einde komt aan iets wat ooit zo mooi is geweest. De ex-lieven vinden dat allicht evenzeer, dat spreekt.

Ik betrap mezelf ook altijd op de hoop dat het misschien toch weer goed komt, maar de voorbeelden daarvan ken ik enkel uit 'de boekskes'. Ik ken wel drie bevriende koppels, met twee of drie kinderen, die lang voor ze zelf kleintjes hadden een jaar uit elkaar zijn geweest, één koppel zelfs vijf jaar, om daarna weer met elkaar in zee te gaan en aan kinderen te beginnen. Met succes. En ik hoop dus meestal dat het bij een scheiding mét nageslacht ooit ook weer goed komt. En heel wat kinderen van gescheiden ouders hopen dat ook: denk Charlotte Roche, denk Charlotte Vandermeersch.

Ik ken koppels bij wie de nieuwe relaties zo goed zijn dat er geen haar op hun hoofd denkt om nog naar de situatie van vroeger terug te keren. Maar ik vrees dat in evenveel gevallen de nieuwe relatie ook niet altijd rozengeur en maneschijn blijft. En dat de gezinsculturen van nieuw samengestelde gezinnen soms zo verschillen dat ze weer nieuwe problemen en vragen met zich meebrengen. En als er nog een nieuw kindje bijkomt, dat er dan drie 'soorten' kinderen zijn, aan wie de ouders allebei andere dingen te zeggen hebben.

Het kan heel wat beter uitdraaien, daar zie ik ook genoeg voorbeelden van, maar het is minstens een hele periode ellendig. Je in elkaar gehaakte levens uit elkaar halen, een of twee keer een nieuwe thuis creëren, afspraken maken over de verdeling en de aanpak in de toekomst. Leren alleen zijn, wonden likken, de toekomst proberen te schetsen, nieuwe plannen of goede voornemens maken. Ik ben, zoals velen met mij, ervaringsdeskundige op het vlak van stukgelopen relaties, en ik wil er niet aan denken dat ik dat nog eens moet meemaken met een kind erbij. Maar ik weet heel goed dat het kan, dat het steeds vaker voorkomt, en vaker ook met jonge kinderen.

Is het onrust, rusteloosheid, ontevredenheid? Of niet meer naar het goede willen streven? En is het resultaat echt 'opgebrand', 'doodgebloed' of 'uitgedoofd'? Willen we te veel, of willen we niet genoeg? Hebben we te veel keuzevrijheid, die ons genot bezorgt maar geen geluk? Is het collectieve faalangst, angst voor een leven dat niet op alle vlakken perfect is? Met als opties actieve faalangst die je snel doet handelen en beslissen, of passieve faalangst die je in een depressie of eindeloze lethargie doet belanden? Of zijn het geluk en de energie gewoon opgebruikt op een bepaald moment en kan je dat maar beter erkennen?

Soms zie ik ook wel dat het je een heel ander, minder conventioneel leven bezorgt, dat het nieuwe kansen creëert, nieuwe mogelijkheden biedt. Zoals Rika Ponnet aangaf in De Standaard: voor sommige mensen is het idee heel aantrekkelijk om een week alle geneugten van de kinderen te hebben, en een andere week de vrijheid van een kinderloos bestaan, met tijd voor wilde afspraken, onverwachte etentjes, het werk, jezelf ... Maar geef mij, als ik mag kiezen, maar gewoon de banaliteit van het goede leven, zoals Verhaeghe suggereert.

Is het dat wat zoveel jonge ouders missen? Spanning, ontdekkingen, onvoorspelbaarheid? Of de drive om voor die oude bekende te blijven gaan? Is dat vroegere leven dan voorgoed voorbij, en staat de vader of moeder van je kind alle opties in de weg? Zeker als je weet dat kinderen ook opgroeien, zelfstandig worden, minder zorgtijd nodig zullen hebben ... Willen we minder dagelijkse ergernissen, minder vaste afspraken, minder alledaagsheid? En weegt dat verlangen op tegen een kind dat op twee plaatsen moet wonen, nieuwe lieven, nieuwe oma's, nieuwe gewoontes en karaktertrekken moet leren kennen?

Het klinkt belerend, zo'n opsomming van schijnbaar retorische vragen, maar zo is het niet bedoeld. Ik vraag het me allemaal af. Ik wil niets of niemand veroordelen, weet dat elke situatie particulier en onvoorspelbaar is, dat zulke beslissingen meestal niet zomaar genomen worden, dat mensen veranderen en elk hun eigen weg gaan, maar het confronteert me zo hard met de relativiteit van dat alles, van relaties, van geluk. Het jaagt me angst aan, zeker als ik dergelijke verhalen in contrast zie met dat prille geluk van een pasgeboren baby. Omdat het allebei in de beste families voorkomt ...

dinsdag 7 februari 2012

Gebouleverseerd

Thelma is toch een beetje van haar melk de laatste tijd. Hoewel ze zich theoretisch niets van de aanval kan herinneren, moeten het ziekenhuisbezoek en mijn bezorgdheid toch sporen hebben nagelaten. Ze slaapt minder goed, lees: ze is wakker om half zeven en doet middagdutjes van een uur, terwijl ze vroeger tot half acht, en soms half negen of half tien sliep, en dutjes deed van twee à drie uur. Ze komt ook veel meer aan mijn benen hangen en wil voortdurend op mijn arm zitten.

Vanmiddag heeft ze voor het eerst weer lang gemiddagdut, maar ze trok vanavond steeds weer haar beentjes op toen ik haar op de grond probeerde te zetten. Ze is ook angstiger, heeft het moeilijker als ik even naar boven ga om op te ruimen of naar buiten ga om iets uit de auto te halen. Ik gun het haar wel, die extra mamatijd, en ik geniet er ook van, want vermoedelijk is het zo weer voorbij.

Zelf moet ik er ook nog voortdurend aan denken. Gisteren heb ik haar voor het eerst weer opgehaald bij de onthaalmoeder, zaten we voor het eerst weer samen in de auto na een dagje weg, zijn we samen thuisgekomen in een opwarmend huis, aten we soep, lazen we in de zetel een boekje, net zoals toen. Blij dat het allemaal goed verlopen is. En morgen is ons beider bijna-dood-ervaring net een week voorbij, ook een eerste mijlpaal.

Ze doet me ook nog altijd schrikken. Thelma is altijd nogal theatraal geweest, maar als ze nu gekke bekken trekt, of ostentatief hoest, haar ogen samenknijpt, of voor zich uit staart en dan haar keel schraapt, wilde dieren nadoet enzovoort, staat mijn hart af en toe nog een milliseconde stil. Ik weet ondertussen dat het allemaal relatief is, dat het eigenlijk niet ernstig is, maar ik kan nog niet garanderen dat ik haar de volgende keer in alle rust en bedaardheid uit die stuip probeer te halen.

zaterdag 4 februari 2012

Spoed

En zo gaat dat dan. De 100 aan de lijn zegt: 'We gaan toch voor de zekerheid nog een ambulance sturen'. Ik akkoord. De ambulanciers zeggen: 'We gaan jullie toch voor alle zekerheid nog even naar de spoeddienst brengen'. Ik akkoord. De spoedarts zegt: 'We gaan haar toch voor 't zekerste een nachtje hier houden voor observatie'. En ik nogmaals akkoord. Bernard was niet meteen dolenthousiast, maar de arts van dienst voegde daar fijntjes aan toe: 'Dat is het verschil tussen wie het meegemaakt heeft en wie niet'.

En ik kon haar geen ongelijk geven. Ik zou thuis geen oog dicht gedaan hebben (in het ziekenhuis later ook niet, zo zou blijken), want ik zou haar zelf voortdurend hebben willen observeren. En een mama als hartslagmeter en apneumonitor is toch net iets minder efficiënt. Echt tof vond Thelma het niet, drie plakkers op haar lijf met draadjes aan, maar ze heeft ze snel aanvaard. En zo ging het met alles trouwens: aanvankelijk was ze onder de indruk van de spoeddienst en de tafel, en alle mensen die binnenkwamen, maar na een tijdje was ze in haar sas, als er tenminste geen vreemden aan haar lijf zaten.

Best wel gek dat ze al bij al zo goedgezind was tussen de onderzoeken door, want wie komt daar niet allemaal binnen? Eerst een man, verpleger of dokter, die ons naar een spoedhokje leidde en even naar het verhaal vroeg. Dan een vrouw, verpleegster besefte ik achteraf, die ook even kwam piepen en het zuurstof in haar bloed wou meten met zo'n klem op haar vingertje. Paniek! Dan de spoedarts, die Thelma's buik en longen beluisterde, haar oren bekeek en haar keel. Paniek! Geen oorontsteking volgens haar, wel een keelontsteking. Ik mocht weer het hele verhaal doen, moest zeggen hoe lang de aanval heeft geduurd (eigenlijk geen idee), en ze gaf me al de eerste tips voor de toekomst:
  • rustig blijven (haha), m.a.w. niet schudden en niet onder water houden (oef)
  • zorgen dat ze zich geen pijn kan doen
  • trui of kleedjes uitdoen zodat ze afkoelt
  • koortsremmer geven
  • wachten
  • eventueel de 100 bellen
Ik heb nu dus geleerd dat het niet levensbedreigend is, maar dat het er wel zo uitziet, en dat zou ik niet meer durven ontkennen. Ik heb er blijkbaar wel goed aan gedaan om ze mee naar buiten te nemen zodat ze kon afkoelen, want op schoot bij moeder komt er nog eens 37° lichaamswarmte bij. Misschien dat dat ook de druppel was toen de aanval begon? In elk geval weet ik nu ook dat ik ze niet bij mij in bed mag nemen als ze ziek is en koorts heeft. Veel te groot risico om de koorts snel te doen stijgen. Mijn tante, die een dochtertje had die meer dan eens koortsstuipen had, heeft nachten op een matras naast het bedje van haar piepke gelegen.

Daarna kwam de eerste verpleegster weer binnen om alle spullen voor een baxtertje klaar te leggen, maar gelukkig heeft de kinderarts dat verijdeld. Hij keek weer in haar oren, minutenlang, en vond nu wel een oorontsteking. Over de keelontsteking was ook geen twijfel meer en haar lelijke hoest had hij ook gehoord. De hoest waarvan de huisarts had gezegd dat die erger klonk dan-ie was. De kinderarts beval antibiotica, bloedafname, urinestaal. Lees: wachten op het labo om bloed te prikken, wachten op de verpleegster van pediatrie om een zakje in haar pamper te bevestigen, wachten op de medicatie.

Ik had zelf een boekje meegegrist, maar koekjes deden nog net iets beter hun werk. Het was al lang tijd voor haar fles, maar daar moest ze ook nog even op wachten, want standaard zit dat niet in mijn tas. Ze heeft dan maar de spoeddienst wat verkend, nog wat koekjes gegeten, getekend in mijn agenda, met mijn visbalpen gespeeld, met mijn klantenkaarten en lezerspassen, de tekeningen op het plafond bestudeerd, de plakkaten aan de muur, noem maar op. Bernard was ondertussen nog wat spullen gaan halen om te overnachten, een pot spaghettisaus uit de diepvries, extra speelgoed, maar het wachten bleef duren.

Na de komst van de verplegers van het lab en het bloedprikken, was het wachten op de superverpleegster van de nachtdienst, die ons naar de kamer bracht, de elektrodenplakkers alvast aanmat, het zakje voor de pipi vastplakte, antibiotica gaf en zag hoe vol leven Thelma zat na haar fles. Ze dacht dat ze nog lang niet zou slapen, maar rond kwart voor elf vond ik dat ze er toch wel aan toe was, dansen en springen of niet. En zie, ondanks de draadjes, het gepiep, het rare hoge bed, de slaapzak die niet aan mocht vanwege de koorts, is ze een paar minuten later in slaap gevallen, in een bolletje, met haar beentjes onder zich gekruld.

En ik probeerde hetzelfde, maar de beelden spookten door mijn hoofd, het gezoem van de monitor was te luid en ik werd telkens opgeschrikt door onregelmatig gepiep. Ik ben uiteindelijk rond kwart voor één in slaap gevallen, om rond kwart over twee weer wakker te worden toen ze Thelma's koorts kwamen nemen. Dat is gelukt zonder dat ze klaarwakker werd, en ze is pas bij de derde controle, rond vijf uur echt wakker geworden. En niet voor even.

Ik was zelf na half drie al niet meer in slaap gevallen door een stijve nek en de vreemde geluiden, en heb haar dus maar wat geëntertaind, om haar zo lang mogelijk aan de monitor te houden. Koekjes (opnieuw), boekjes, diertjes en uiteindelijk ook televisie, omdat ik dan toch een beetje kon gaan liggen en ze zelf misschien ook weer zou inslapen. Wat uiteindelijk ook gebeurde, rond zeven uur. Toen de bedrijvigheid op de afdeling al weer zo groot was, dat ze mijn ontbijt kwamen brengen, haar ontbijt kwamen brengen, de monitor kwamen checken, antibiotica kwamen klaarleggen, enzovoort, het bekende verhaal.

Ook typisch, wat ik me nog herinnerde uit Thelma's kraamtijd, is dat de kinderarts net dan binnenkomt als boorling of peuter eigenlijk heel dringend iets anders moest doen. Als pasgeborene lag ze bijvoorbeeld net eventjes goed aan, had ik de aanhappijn verbeten, en kwam de kinderarts langs voor de dagelijkse controle. Nu lag ze net te slapen toen we haar temperatuur moesten meten en kwam de kinderarts binnen toen ze met vereende krachten in slaap was gesust, amper een uurtje middagdut achter de rug had en compleet uitgeteld lag te slapen.

Maar soit, we mogen absoluut niet klagen. Supergoed verzorgd, een korte maar grondige check-up, een blij kind, gerustgestelde moeder, eind goed, al goed. En ik kan nog meer dan vroeger mijn ogen niet van haar afhouden. Ik bewonder, omarm, koester al dat leven. Ik sta versteld van wat ze zegt, wat ze begrijpt, wat ze aangeeft. Ik lach luid, lach stil, glimlach, duw mijn tranen weg. Mijn bloedje, mijn kindje, mijn onmetelijke schat.

vrijdag 3 februari 2012

Stuipen

Voilà, ik val met de deur in huis. Thelma heeft mij met haar koortsstuipen woensdagavond de daver op het lijf gejaagd. Nooit meer, dank u zeer. Totale paniek met zo'n quasistikkend en quasilevensloos kindje, ik kan het u verzekeren. Ik was alleen thuis, belde de 101 in plaats van de 100 of 112, ben naar buiten gelopen om hulp met haar in mijn armen, en wellicht heeft de koude haar weer bij bewustzijn gebracht.

Alles leek normaal toen ik haar bij de onthaalmoeder ging halen, behalve de twee felrode blosjes op haar wangen, maar dat kon ook van haar wollen kleedje komen of de zon die de kamertemperatuur tot 23° had doen oplopen. Haar eigen temperatuur was nog niet gemeten, maar ze stond te dansen en te zingen van 'nijntjeuh, nijntjeuh, nij-ij-ijntjeuh, kom'. Ik was haar met de auto gaan ophalen en niet met de fiets, want voor zoveel graden onder nul pas ik, zeker met mijn piepke achterop.

Dus dikke jas aan, muts, en de koude auto in, met de verwarming aan, en even in de file gestaan. Was het dat? In elk geval leek er toen nog niets aan de hand. Thuis was het huis nog niet opgewarmd, zo'n 17 graden, dus haar kleedje bleef uiteraard aan. Halfuurtje liedjes gezongen een boekjes gelezen, Petit Gervais'tje in de stoel, een peer na, en even haar koorts gemeten met de voorhoofdsthermometer. Tussen 38,5 en 37,9 graden gaf die aan. Tijd voor een koortsremmer dus.

Ik zette Thelma op de grond, liet haar wat stappen en ze begon te huilen. Niet uit boosheid, niet van de pijn, meer een soort onbehagen. Ik toonde de Nurofen, waarop ze meestal naar me toe komt gesneld, maar ze wou niet. Ik vond toch dat ze iets moest krijgen en nam haar op schoot, maar ze bleef huilen en wou absoluut niet. Ik gaf haar tegen haar wil toch een heel klein beetje, en toen begon het.

Haar hoofd schokte, haar stem haperde, haar lippen trilden alsof er elektriciteit op stond, de Nurofen liep uit haar mondhoek, haar oogjes vielen halfdicht en haar adem stokte. Ik dacht dat ik haar vergiftigd had, of dat ze in iets aan het stikken was, en nam haar in mijn armen mee naar het aanrecht, omdat ik dacht dat ze moest overgeven, maar ze viel helemaal slap en ademde niet meer. Ik ben dan met haar in mijn armen naar de telefoon gespurt om de 100 te bellen, maar ik belde uit gewoonte en paniek de 101. Met antwoordapparaat, want alle medewerkers waren in gesprek!

Ze werd lijkbleek en ook een beetje blauw. Ben dan in paniek naar buiten gelopen met nog steeds een schijndood mensje in mijn armen, om hulp te halen bij de buren, maar die wonen op het eerste, komen altijd traag de deur openen en alles leek nog donker daar. Weer mis dus. Ik kon alleen maar denken 'Ze sterft hier in mijn armen, omdat ik niet weet wat ik moet doen'. Ik prevelde 'kindje, kindje toch' en dacht dat ik ze kwijt was. Dat alle hulp te laat kwam.

En toen zag ik een Combo met Kaat uit de straat, ben ik naar haar toegelopen terwijl ik 'Help, stop, help, help' riep, trok ik het portier open en riep ik 'Ze ademt niet meer, ze ademt niet meer'. Haar eigen bloedjes op de achterbank moeten ook nogal geschrokken zijn. Kaat zei onmiddellijk 'ik bel een ambulance' en ik liep weer naar binnen, nog steeds met Thelma in mijn armen, om mijn sleutels halen en de deur toe te trekken, met het plan om alsnog bij Kaat in de auto te springen en ons naar de spoed te laten brengen.

En gelukkig begon Thelma binnen zachtjes te huilen en naar adem te happen, met haar ogen half gesloten. Ik ben gaan zitten, ben haar blijven observeren met de schrik om mijn hart, hopend dat het niet weer zou beginnen, maar durfde toen al een beetje geloven dat het ergste voorbij was. Ik had ze in elk geval nog even bij me en ze leek weer wat op het kindje dat ik kende.

En toen belde de politie terug en hebben ze me meteen met de 100 doorverbonden, die me vroegen om het hele verhaal te doen, maar al aan de telefoon konden horen dat ze weer bij bewustzijn was, omdat ze wat luider was beginnen te huilen. Oef. Ze gingen toch een ambulance sturen, wat ik alleen maar kon toejuichen. Kaat kon even haar auto gaan parkeren die ze midden op het kruispunt had laten staan, haar kindjes thuis gaan afzetten en mij assisteren. SIS-kaart, sleutels, portefeuille, dekentje voor Thelma, tot de ambulance er was.

Bernard ging gelukkig ook elk moment thuiskomen, even tussendoor, omdat er een gaatje in de tournee was. Hij belde toen Thelma net weer bij bewustzijn kwam en ik kon hem waarschuwen dat hij niet moest schrikken als hij een ambulance zou zien staan. De ambulance kwam aan, Kaat liet me achter in hun handen, en ik heb samen met de ambulanciers Thelma's koorts genomen en die was 38,1°. Niet erg hoog dus, maar koortsstuipen komen blijkbaar vooral als de koorts snel stijgt.

Vreemd wel, want ze leek bij de onthaalmoeder al koorts te hebben. Zou die dan gezakt zijn, om dan weer te stijgen? Geen idee. Thelma kreeg een dekentje om zich heen, want een jas is niet aangeraden bij koorts, en we klommen in de ambulance. Ze huilde de boel bijeen, wat raar is zei de ambulancier, omdat de meeste kindjes zo onder de indruk zijn van die speciale auto dat ze helemaal stil worden.

Thelma heeft nog veel gehuild. Ze haat een thermometer in haar poep en draait zich in duizend bochten om dat te vermijden, ze haat suppo's, ze haat een stethoscoop, ze haat dat oorkijkding, ze haat de spatel om in haar keel te kijken. Ze is meestal ontzettend moedig, maar daarvan wordt ze panisch. Zoals de meeste kindjes misschien, hoewel ze wel haar neus gedwee laat spoelen met fysiologisch water, ze maar heel even huilt als ze een spuitje heeft gekregen, nooit vreemd is geweest en ook niet echt bang is.

Een plakker krijgen nadat ze bloed hadden geprikt, vond ze dan wel weer fijn. De verpleger vroeg of ze een prinses wou, maar dat wou ze niet. Wat zijn dat trouwens, prinsessen? Ik vroeg of hij geen auto had, maar dat bleek er niet tussen te zitten. Winnie de Poeh dan weer wel, en dat was een voltreffer. Voor de eerste keer heb ik een Thelma gezien die glom van trots. En de rest van het verhaal vertel ik morgen.